De Belegger

Politiek en beleid

Verhuizen voor box 3? Zo groot zijn de verschillen voor kleine beleggers in Europa

De discussie over box 3 gaat vaak over vermogende Nederlanders met tonnen of zelfs miljoenen euro’s aan beleggingen. Maar juist voor de veel kleinere particuliere belegger wordt het interessant om eens over de grens te kijken. Iemand die jarenlang iedere maand een paar honderd euro in aandelen of…

De discussie over box 3 gaat vaak over vermogende Nederlanders met tonnen of zelfs miljoenen euro’s aan beleggingen. Maar juist voor de veel kleinere particuliere belegger wordt het interessant om eens over de grens te kijken. Iemand die jarenlang iedere maand een paar honderd euro in aandelen of ETF’s stopt, kan in Nederland namelijk met een compleet ander belastingstelsel te maken krijgen dan iemand met precies dezelfde portefeuille in Zweden, België of Duitsland.

Die verschillen zijn groter dan alleen het belastingpercentage. Sommige landen belasten vooral winst wanneer die daadwerkelijk wordt gerealiseerd, andere landen kennen speciale beleggingsrekeningen en Nederland werkt voorlopig nog met een fictief rendement. Daardoor kan dezelfde portefeuille in verschillende Europese landen fiscaal totaal anders uitpakken. Vooral bij vermogens van bijvoorbeeld €50.000 tot €150.000 ontstaan opvallende verschillen.

Nederland belast niet alleen wat je verkoopt

In Nederland bedraagt het heffingsvrije vermogen in box 3 in 2026 €59.357 per persoon. Voor beleggingen en andere bezittingen gebruikt de Belastingdienst bij de voorlopige aanslag een fictief rendement van 6,00 procent. Over het berekende box 3-inkomen wordt vervolgens 36 procent belasting geheven. Wie kan aantonen dat het werkelijke rendement lager ligt, kan onder de tegenbewijsregeling onder voorwaarden van dat lagere rendement gebruikmaken.

Dat betekent dat een alleenstaande belegger met bijvoorbeeld €100.000 aan aandelen al duidelijk boven de vrijstelling zit. Zonder schulden resteert €40.643 boven het heffingsvrije vermogen. Bij een volledig uit aandelen bestaande portefeuille komt de box 3-heffing volgens de reguliere fictieve berekening dan grofweg uit rond €878 per jaar.

Het bijzondere is dat daarvoor helemaal geen aandelen hoeven te worden verkocht. Ook iemand die twintig jaar lang dezelfde ETF wil vasthouden, kan ieder jaar opnieuw met box 3 te maken krijgen. Nederland wil vanaf 2028 overstappen op een stelsel waarin het werkelijke rendement centraal staat, maar de precieze inrichting daarvan is politiek nog in beweging. Het wetsvoorstel is door de Tweede Kamer aangenomen en moet nog verder worden behandeld.

Zweden kiest juist voor een beleggingsrekening

Zweden laat zien dat een forfaitair systeem ook heel anders kan worden ingericht. Zweedse beleggers kunnen gebruikmaken van de populaire Investeringssparkonto, meestal afgekort tot ISK. Binnen zo’n rekening worden individuele dividenden en gerealiseerde koerswinsten in principe niet afzonderlijk belast; in plaats daarvan wordt een jaarlijks forfaitair inkomen berekend over het vermogen op de rekening.

Voor 2026 is vooral de vrijstelling interessant. De eerste 300.000 Zweedse kroon aan gecombineerd vermogen op onder meer ISK-rekeningen en bepaalde verzekeringsproducten is vrijgesteld. Boven die grens bedraagt het forfaitaire inkomen in 2026 3,55 procent van het relevante vermogen en daarover wordt vervolgens 30 procent belasting geheven. Dat komt effectief neer op ongeveer 1,065 procent over het deel dat boven de vrijstelling valt.

Voor kleine beleggers is die vrijstelling belangrijk. Iemand die nog maar enkele tienduizenden euro’s heeft opgebouwd, kan daardoor een relatief groot deel van zijn portefeuille buiten de jaarlijkse heffing houden. Tegelijkertijd moet worden benadrukt dat het Zweedse systeem niet simpelweg belastingvrij beleggen betekent: zodra het vermogen verder groeit, begint de jaarlijkse forfaitaire belasting steeds zwaarder mee te wegen.

België heeft kleine beleggers een opvallend grote vrijstelling gegeven

België is in 2026 juist de andere kant op gegaan. Het land heeft vanaf 1 januari een nieuwe belasting op gerealiseerde meerwaarden op financiële activa ingevoerd. Voor de gewone particuliere belegger bedraagt het tarief in beginsel 10 procent, maar daar staat een jaarlijkse vrijstelling van €10.000 aan gerealiseerde meerwaarde tegenover. Niet-benutte vrijstelling kan bovendien onder voorwaarden gedeeltelijk worden opgebouwd, waardoor deze uiteindelijk tot €15.000 kan oplopen.

Dat creëert een interessant verschil met Nederland. Stel dat een Belgische particuliere belegger een portefeuille van €100.000 heeft en in één jaar voor €10.000 aan belastbare koerswinst realiseert. Onder de algemene regeling kan die winst volledig binnen de jaarlijkse basisvrijstelling vallen. De verschuldigde Belgische meerwaardebelasting kan in dat vereenvoudigde voorbeeld daardoor op nul uitkomen.

Voor historische beleggingen is bovendien een overgangsregeling belangrijk. Alleen waardestijgingen die vanaf 1 januari 2026 zijn opgebouwd vallen onder de nieuwe belasting; historische winsten van vóór 2026 worden via een referentiewaarde beschermd. België belast dus niet simpelweg iedere euro koerswinst die een belegger ooit heeft opgebouwd.

Duitsland kijkt vooral naar het rendement

Duitsland kent opnieuw een ander model. Inkomsten uit vermogen vallen daar in beginsel onder een afzonderlijk belastingtarief van 25 procent. Daarboven kan nog de solidariteitstoeslag komen en voor sommige belastingplichtigen speelt ook kerkbelasting een rol. Duitsland kent daarnaast een Sparer-Pauschbetrag van €1.000 per persoon, waardoor de eerste €1.000 aan relevante kapitaalinkomsten kan worden vrijgesteld.

Neem opnieuw een vereenvoudigd voorbeeld van €10.000 belastbaar beleggingsrendement. Wanneer we alleen naar de Duitse basisheffing kijken en de vrijstelling volledig beschikbaar is, blijft €9.000 over. Daarover bedraagt de belasting tegen 25 procent €2.250, vóór eventuele solidariteitstoeslag en kerkbelasting.

Dat klinkt aanzienlijk hoger dan de Nederlandse €878 uit het eerdere voorbeeld, maar de vergelijking laat precies zien waarom alleen belastingtarieven weinig zeggen. Duitsland belast in dit voorbeeld daadwerkelijk belastbare kapitaalinkomsten, terwijl Nederland jaarlijks een berekend rendement over het belastbare vermogen kan hanteren. Wie zijn belegging jarenlang laat staan, krijgt daardoor een heel ander belastingpad.

Spanje begint voor kleine winsten bij 19 procent

Ook Spanje richt zich nadrukkelijk op het inkomen dat met vermogen wordt verdiend. Spaarrendement, dividenden en vermogenswinsten vallen in een aparte progressieve schaal. De eerste €6.000 aan belastbaar inkomen uit sparen en beleggen valt in de schijf van 19 procent. Voor het gedeelte tussen €6.000 en €50.000 geldt 21 procent, waarna de tarieven verder oplopen tot uiteindelijk 30 procent voor zeer hoge bedragen.

Bij €10.000 aan belastbare beleggingswinst betekent dat in een sterk vereenvoudigd voorbeeld €1.140 belasting over de eerste €6.000 en €840 over de resterende €4.000. De totale heffing komt daarmee uit op ongeveer €1.980.

Voor een kleine belegger is Spanje daardoor interessant om naast Nederland te leggen. De belasting kan bij een goed beursjaar hoger uitkomen, maar de heffing beweegt veel directer mee met het gerealiseerde inkomen. Nederland kan daarentegen ook belasting berekenen in jaren waarin een belegger helemaal niets verkoopt.

Italië houdt het relatief eenvoudig

Italië gebruikt voor veel financiële vermogenswinsten een vlak tarief. Voor particuliere beleggers vallen veel gerealiseerde financiële meerwaarden onder een vervangende belasting van 26 procent. De Italiaanse belastingdienst bevestigt dat dit tarief onder meer geldt voor verschillende categorieën gerealiseerde financiële vermogenswinsten.

Bij een gerealiseerde belastbare winst van €10.000 zou dat in een eenvoudig voorbeeld neerkomen op ongeveer €2.600 belasting. Daarmee lijkt Italië op papier aanzienlijk duurder dan Nederland wanneer uitsluitend naar één winstgevend jaar wordt gekeken.

Maar opnieuw speelt timing een cruciale rol. Een belasting die bij realisatie wordt geheven werkt fundamenteel anders dan een jaarlijkse heffing over een vermogensgrondslag. Voor een belegger die zijn portefeuille tientallen jaren laat renderen zonder veel te verkopen, kan dat verschil in timing door samengestelde rendementen uiteindelijk zeer belangrijk worden.

Denemarken is voor aandelen juist stevig

Wie denkt dat Nederland automatisch het zwaarste beleggingsland van Europa is, hoeft alleen maar naar Denemarken te kijken. Daar worden inkomsten uit aandelen, waaronder dividenden en gerealiseerde winsten, in 2026 voor een alleenstaande tegen 27 procent belast tot 79.400 Deense kroon. Boven die grens loopt het tarief op tot 42 procent. Voor gehuwden die aan de voorwaarden voldoen, wordt de grens verdubbeld.

Een kleinere belegger die omgerekend €10.000 aan aandeleninkomen realiseert, blijft grofweg rond de eerste Deense schijf en zou in een vereenvoudigde vergelijking ongeveer €2.700 belasting betalen. Bij grotere winsten kan de rekening vervolgens snel oplopen.

Denemarken laat daarmee zien dat een belasting op werkelijk gerealiseerde winsten niet automatisch gunstig is. Het tarief en de vrijstellingen zijn minstens zo belangrijk als de manier waarop het rendement wordt vastgesteld.

Wat gebeurt er bij €100.000 aan beleggingen?

Om de verschillen tastbaar te maken kunnen we een sterk vereenvoudigde belegger nemen. Deze persoon is alleenstaand, heeft €100.000 aan aandelen, geen relevante schulden en behaalt in één jaar €10.000 rendement. Voor landen die gerealiseerde winst belasten gaan we ervan uit dat die volledige €10.000 in dat jaar wordt gerealiseerd. Dividend, transactietaksen, speciale fondsregels en persoonlijke uitzonderingen laten we buiten beschouwing.

Land

Vereenvoudigd systeem

Indicatieve belasting in voorbeeld

Nederland

Jaarlijkse box 3-heffing op vermogen/fictief rendement

± €878

Zweden

ISK, forfaitair boven vrijgestelde basis

afhankelijk van SEK/EUR-koers en kapitaalgrondslag

België

10% gerealiseerde winst boven €10.000 vrijstelling

€0

Duitsland

25% over kapitaalinkomen na €1.000 vrijstelling

± €2.250 vóór toeslagen

Spanje

19%/21% over eerste €10.000

± €1.980

Italië

veel financiële winsten tegen 26%

± €2.600

Denemarken

27% in eerste schijf aandeleninkomen

± €2.700

De tabel moet niet worden gelezen als een ranglijst van goedkoopste naar duurste landen. Daarvoor verschillen de systemen te veel. Vooral Nederland en Zweden belasten vermogen via een jaarlijkse forfaitaire systematiek, terwijl andere landen sterker naar gerealiseerde inkomsten of winsten kijken. Ook dividendbelasting, verliesverrekening, fondsregels en lokale heffingen kunnen de uitkomst veranderen.

Juist voor de kleine belegger maakt timing enorm veel uit

Het belangrijkste verschil zit daarom misschien niet eens in 10, 19, 25 of 27 procent belasting. Het gaat om de vraag wanneer de belasting wordt geïnd. Dat verschil wordt groter naarmate iemand langer belegt.

Stel dat twee beleggers allebei twintig jaar lang een aandelenportefeuille laten groeien. Wanneer de ene belegger jaarlijks belasting uit zijn portefeuille moet halen en de andere belegger belasting grotendeels kan uitstellen tot het moment van verkoop, kan de tweede belegger langer rendement behalen over geld dat anders al naar de fiscus was gegaan. Dat is het bekende effect van belastinguitstel op samengestelde groei.

Daar staat tegenover dat een land met jaarlijkse belasting een lager effectief tarief kan hanteren dan een land dat bij verkoop ineens 25 of 30 procent van een winst belast. Daarom kan niet simpelweg worden geconcludeerd dat een vermogenswinstbelasting altijd voordeliger is. De hoogte van het vermogen, het jaarlijkse rendement, de beleggingsduur en het aantal verkopen bepalen uiteindelijk de rekening.

Nederland wijkt vooral af door de manier waarop het belast

De vergelijking met het buitenland laat vooral zien hoe uitzonderlijk verschillend Europa met particuliere beleggers omgaat. Zweden heeft een speciaal beleggingsvehikel met een forse belastingvrije basis, België beschermt de eerste €10.000 aan jaarlijkse gerealiseerde meerwaarde en Duitsland geeft een relatief kleine vrijstelling maar belast daarna daadwerkelijk kapitaalinkomen. Spanje en Denemarken werken met progressieve tarieven, terwijl Italië voor veel financiële winsten een vlak tarief gebruikt.

Nederland bevindt zich voorlopig in een bijzondere positie omdat het vermogen zelf en een berekend rendement nog steeds een belangrijke rol spelen. Met €59.357 aan heffingsvrij vermogen blijft een beginnende belegger aanvankelijk buiten schot, maar iemand die jarenlang consequent belegt kan relatief snel boven die grens terechtkomen. Vanaf dat moment kan er ieder jaar belasting verschuldigd zijn, ook zonder dat de portefeuille wordt verkocht.

Precies daarom is de discussie over box 3 niet alleen relevant voor miljonairs. Een Nederlander die met €10.000 begint en iedere maand een paar honderd euro investeert, kan uiteindelijk vanzelf in het belastbare gebied terechtkomen. De Europese vergelijking laat vervolgens zien dat landen totaal verschillende keuzes maken over de vraag wanneer zo’n kleine belegger moet gaan afrekenen met de fiscus.

Voor particuliere beleggers wordt de grote vraag richting 2028 daarom niet alleen hoe hoog het Nederlandse box 3-tarief wordt. Minstens zo belangrijk is wanneer rendement belast wordt en hoeveel ruimte kleinere vermogens krijgen om eerst belastingvrij te groeien. Juist op dat punt laten landen als Zweden en België zien dat een stelsel ook specifiek rekening kan houden met mensen die nog bezig zijn hun eerste beleggingsvermogen op te bouwen.

Word lid van De Belegger

Alle prijzen zijn inclusief btw. Eén keer kiezen, meteen alles open.

Met de code GRAAG krijg je 33 procent korting op 5 Jaar, Half Jaar en Ere lid, tot en met 1 oktober 2026, 23:59.

Ere lid

€ 1.500 € 1.005 eenmalig

  • Onbeperkte toegang tot columns, nieuws, verdieping en analyse over de allerbeste aandelen
  • Echte verdieping in de cijfers en het management
  • De Belegger portefeuille, gedeeld met tekst en uitleg bij elke transactie
  • Trainingen die van jou de allerbeste belegger maken, altijd in controle
  • Alles op de site en in de app

gewoon altijd toegang tot alles

Uitgelicht

5 Jaar

€ 799 € 535,33 eenmalig

  • Onbeperkte toegang tot columns, nieuws, verdieping en analyse over de allerbeste aandelen
  • Echte verdieping in de cijfers en het management
  • De Belegger portefeuille, gedeeld met tekst en uitleg bij elke transactie
  • Trainingen die van jou de allerbeste belegger maken, altijd in controle
  • Alles op de site en in de app

verloopt automatisch na 5 jaar, geen abonnement

Bekijk de lidmaatschappen

We willen alleen tevreden klanten: niet tevreden binnen 14 dagen, dan je geld terug. Ook per half jaar mogelijk: € 199 elke 6 maanden.

Lees ook

Deel dit artikel

WhatsAppXLinkedIn

Open in de app