Kabinet wil vanaf 2028 af van box 3-heffing op papieren koerswinst
Het kabinet biedt belasting bij verkoop aan voor aandelen en obligaties vanaf 2028. Wat levert dat beleggers op, hoe raakt de dekking ondernemers met een bv en welke afspraken staan nog niet vast?
In het kort
Het kabinet wil bij aandelen en obligaties vanaf 2028 overstappen op belasting over gerealiseerde koerswinst, blijkt uit het aanbod aan de oppositie waarover zaterdag is bericht. Voor beleggers zou daarmee een belangrijk bezwaar verdwijnen: belasting betalen over een koersstijging terwijl er nog niets is verkocht. Daar staat mogelijk een rekening tegenover in box 2 en bij de belastingvrije ruimte. Het is een onderhandelingsvoorstel, geen aangenomen wet, en juist de uitwerking bepaalt hoeveel beleggers en ondernemers eraan hebben.
€15.000 koerswinst op een portefeuille van €150.000 klinkt prettig. Tot er een belastingaanslag volgt terwijl al het geld nog belegd is. Precies dat betaalmoment staat centraal in de nieuwe beweging rond box 3. Het kabinet wil beleggers volgens BNR op 26 september bij aandelen en obligaties laten afrekenen wanneer de winst wordt gerealiseerd. Dat maakt een wezenlijk verschil voor mensen die jarenlang dezelfde beleggingen aanhouden.
Premier Rob Jetten en minister Eelco Heinen proberen met het pakket steun te vinden voor de begroting. Ook het schrappen van voorgenomen bezuinigingen op WW en WIA maakt volgens de berichtgeving onderdeel uit van het aanbod. Voor een belegger met daarnaast een eigen bv is daarom de hele afspraak relevant. Een gunstiger betaalmoment in box 3 kan samengaan met strengere regels voor geld dat privé uit de onderneming wordt gehaald.
Direct naar een onderdeel van dit artikel
Voor beleggers verschuift vooral het betaalmoment
Het verschil tussen de twee stelsels is goed uit te leggen. Bij een vermogensaanwasbelasting telt een koersstijging jaarlijks mee. Bij een vermogenswinstbelasting wordt die stijging in beginsel belast wanneer de winst wordt gerealiseerd, bijvoorbeeld door verkoop. De belasting verdwijnt dus niet. De fiscus wacht langer op zijn deel.
Dat onderscheid gaat over waardeveranderingen. Rente, dividend en huur zijn directe inkomsten. Belasting bij verkoop van een aandeel betekent niet automatisch dat ook het dividend tot die verkoop onbelast blijft. De uitleg van de Rijksoverheid over het bestaande wetsvoorstel maakt dat verschil tussen inkomsten en waardeontwikkeling expliciet. Voor de nieuwe variant moeten de precieze regels nog op papier komen.
Neem die portefeuille van €150.000, met 10 procent koerswinst in één jaar. Bij een verondersteld tarief van 36 procent bedraagt de heffing over €15.000 winst €5.400. Onder een jaarlijkse aanwasheffing moet dat bedrag worden betaald. Bij heffing over gerealiseerde winst is over die koersstijging tijdens het aanhouden nog niets verschuldigd, maar bij verkoop tegen dezelfde waarde volgt in dit vereenvoudigde voorbeeld alsnog €5.400.
We laten vrijstellingen, dividend, kosten en andere inkomsten hier bewust buiten de som. Het tarief van 36 procent is het box 3-tarief voor 2026, geen bevestigd tarief van het nieuwe onderhandelingsvoorstel. De vergelijking laat het effect van het betaalmoment zien. Het is geen berekening van een persoonlijke aanslag over 2026 of 2028.
Uitstel geeft vermogen meer tijd om te groeien
Het directe voordeel is dat de belegger minder geld hoeft vrij te maken voor de aanslag. Wie verder geen cash heeft, hoeft dan niet uitsluitend voor de heffing over ongerealiseerde koerswinst een deel van zijn aandelen te verkopen. Bovendien kan het uitgestelde belastingbedrag belegd blijven. Ook dat bedrag kan vervolgens rendement maken, met alle bijbehorende beleggingsrisico's.
Om dat effect zichtbaar te maken, begint onze modelportefeuille op 1 januari 2028 met €100.000. We rekenen met drie vaste jaarlijkse koersrendementen: min 10 procent, plus 6 procent en plus 10 procent. Dat zijn een negatief, gematigd positief en sterk positief rekenpad, geen beursvoorspellingen. Dividend, kosten, inflatie en vrijstellingen blijven buiten beschouwing. Beide varianten gebruiken hetzelfde veronderstelde belastingtarief van 36 procent.
Bij 6 procent koersgroei houdt de belegger in het model met jaarlijkse heffing ieder jaar 3,84 procent over: 6 procent maal 64 procent. Na drie jaar resteert ongeveer €111.968. Bij heffing aan het einde groeit de portefeuille eerst door naar €119.102. Na 36 procent belasting over de totale winst resteert circa €112.225. Het verschil is ongeveer €257, nadat ook de uitgestelde belasting is betaald.
Dat is een nuttige relativering. De volledige uitgestelde aanslag is geen blijvende belastingbesparing. Het voordeel in deze vergelijking komt uit het extra rendement op het bedrag dat langer kon blijven werken. Bij 10 procent jaarlijkse koersgroei loopt het verschil over drie jaar op tot ongeveer €729. Een hoger rendement of een langere aanhoudperiode kan het voordeel vergroten; dalende koersen kunnen het juist verkleinen.
Bij het negatieve rekenpad resteert na drie jaar €72.900. De module rekent daarbij niet met een onmiddellijke belastingteruggave. Eventuele verliesverrekening, de termijnen daarvoor en de mogelijkheid om een verlies met eerdere winst te verrekenen zijn afzonderlijke onderdelen van een belastingstelsel. Juist bij sterk wisselende beursjaren kunnen die regels veel belangrijker worden dan het kleine verschil in een model met elk jaar hetzelfde positieve rendement.
Een gewenst nettorendement vraagt meer van de belegging
De vergelijking kun je ook omdraaien. Hoeveel koersgroei is nodig om na belasting gemiddeld 5 procent per jaar over te houden? Bij een jaarlijkse heffing van 36 procent is daarvoor in ons vereenvoudigde model 7,81 procent bruto nodig. De berekening is 5 procent gedeeld door 64 procent.
Bij afrekening na drie jaar is ongeveer 7,62 procent bruto per jaar voldoende om hetzelfde eindbedrag te bereiken. De belegger begint met €100.000 en wil na drie jaar netto €115.763 overhouden. Door de heffing uit te stellen, hoeft de belegging iets minder hard te groeien om dat doel te halen.
Dat verschil maakt een matige belegging nog geen goede aankoop. Het laat wel zien waarom belastingregels meetellen wanneer iemand vermogen opbouwt voor later. Een rendementseis van 5 procent na belasting is een ander doel dan 5 procent op het scherm van de broker. Wie ook koopkracht wil behouden, moet daarbovenop rekening houden met inflatie. Die zit niet in deze rekensom.
De miljardenrekening gaat over gemiste inkomsten in meerdere jaren
Voor de overheid werkt het betaalmoment precies andersom. Wanneer beleggers later afrekenen, ontvangt de schatkist in de eerste jaren minder. In de budgettaire bijlage bij de Kamerbrief van september staat voor de versnelde route een cumulatieve derving van €11,026 miljard tot en met 2031 en €15,624 miljard tot en met 2035. Die bedragen zijn afgezet tegen het geplande stelsel. Het gaat dus niet om een jaarlijks tekort van meer dan €10 miljard.
De Kamerbrief, gedateerd 13 september 2026, beschrijft die route nauwkeuriger dan de korte politieke boodschap. Aandelen, obligaties en andere financiële instrumenten zouden vanaf 2028 onder de vermogenswinstbelasting vallen. Daarmee zou ongeveer 90 procent van het vermogen met waardeontwikkeling in box 3 zijn bereikt. Voor overige vermogensbestanddelen noemt dat scenario 2030.
Het nieuwe aanbod kan daarvan afwijken. Tot er een uitgewerkt document ligt, is de conclusie dat alle bezittingen vanaf 2028 exact dezelfde behandeling krijgen te vroeg. Ook de uitvoering is een serieuze horde. De brief waarschuwt dat banken bij de versnelde route ten minste in het eerste jaar geen gegevens kunnen aanleveren voor de vooraf ingevulde aangifte. Er komt dan meer administratie bij de belastingplichtige te liggen.
De politieke afweging draait daardoor om meer dan een aantrekkelijk principe. Het kabinet moet een stelsel maken dat beleggers kunnen begrijpen, banken kunnen ondersteunen en de Belastingdienst kan controleren. Wie jaren na aankoop afrekent, moet de fiscale aankoopwaarde en tussentijdse veranderingen bovendien goed kunnen onderbouwen.
Ondernemers moeten ook naar box 2 kijken
Volgens de berichtgeving over het aanbod zoekt het kabinet dekking onder meer door lenen bij de eigen bv verder te beperken. Tegelijk zou een tijdelijke verlaging van het box 2-tarief ondernemers moeten verleiden sneller dividend uit te keren. Dat kan op korte termijn extra belastinginkomsten opleveren, doordat uitkeringen naar voren worden gehaald. Hoeveel daarvan later wordt gemist, hoort eveneens bij de rekening.
Een lening van de eigen bv is overigens niet zomaar belastingvrij geld. De lening moet volgens de Belastingdienst zakelijke voorwaarden hebben. Voor de regeling excessief lenen geldt momenteel in beginsel een gezamenlijke grens van €500.000 voor de aandeelhouder en fiscale partner. Het meerdere kan belast worden in box 2. Voor kwalificerende eigenwoningschulden bestaat een uitzondering, met voorwaarden rond het hypotheekrecht. Eerder belaste bedragen kunnen de persoonlijke drempel verhogen, aldus de Belastingdienst over excessief lenen.
De openbare septembertabel noemt als mogelijke dekking een verlaging van de grens van €500.000 naar €400.000, zonder de eigenwoninguitzondering af te schaffen. Dat is een doorgerekende optie. Het is nog geen bevestiging dat precies deze grens onderdeel wordt van het definitieve akkoord.
Stel dat iemand €450.000 aan meetellende schulden heeft, geen eerdere verhoging van de drempel en geen ander box 2-inkomen. Bij €500.000 ontstaat in dit voorbeeld geen belastbaar voordeel uit excessief lenen. Bij een hypothetische grens van €400.000 wordt €50.000 belastbaar. Tegen het huidige lage box 2-tarief van 24,5 procent is dat €12.250. De schuld zelf verdwijnt daardoor niet.
De tarieven voor 2026 bedragen 24,5 procent tot €68.843 box 2-inkomen en 31 procent over het meerdere. Die gebruiken we alleen om de gevoeligheid te laten zien. Een andere tariefstructuur, fiscale partner, eerder belaste lening of dividenduitkering kan de uitkomst veranderen. Een tijdelijk lager tarief maakt een uitkering ook niet vanzelf verstandig: het geld verlaat de onderneming en kan privé vervolgens onder box 3 vallen.
Een beter uitgangspunt is nog geen afgerond belastingstelsel
Het voorstel raakt een terecht bezwaar. Belasting betalen op het moment dat koerswinst wordt gerealiseerd sluit beter aan bij de beschikbaarheid van het geld. Voor iemand die rustig vermogen wil opbouwen, is dat een begrijpelijker vertrekpunt dan jaarlijks geld vrijmaken voor een koerswinst die nog kan verdwijnen.
Daar staat een nadeel tegenover. Een heffing bij verkoop kan beleggers stimuleren een belegging langer aan te houden vanwege de belasting, ook wanneer ze economisch liever zouden overstappen. Bovendien hangt de uiteindelijke verdeling af van tarieven, vrijstellingen, verliesverrekening en de regels bij bijvoorbeeld overlijden of emigratie. Een prettiger betaalmoment garandeert geen lagere totale belastingdruk voor iedereen.
De parlementaire route is evenmin afgerond. Volgens het dossier van de Eerste Kamer is het bestaande voorstel in februari door de Tweede Kamer aangenomen, maar is de stemming in de senaat aangehouden. De commissie Financiën heeft de bewindspersonen uitgenodigd voor overleg op 5 oktober. Het nieuwe aanbod verandert op zichzelf dus nog geen aanslag of leengrens.
Voorlopig is het verstandig aankoopgegevens, transacties en leningsafspraken goed te bewaren. Wie een grote dividenduitkering, verkoop of herstructurering overweegt, heeft de uiteindelijke wettekst en een berekening van de eigen situatie nodig. Handelen op alleen een uitgelekte tariefverlaging kan duur uitpakken als de voorwaarden anders worden.
De richting is voor langetermijnbeleggers hoopgevend. Maar de kwaliteit van deze hervorming blijkt pas als naast het nieuwe betaalmoment ook de rekening duidelijk is. Een oplossing die rust brengt in box 3, terwijl ondernemers in box 2 opnieuw met onverwachte verschuivingen te maken krijgen, lost maar een deel van het probleem op.
Lees ook hoe box 3 op de onderhandelingstafel terechtkwam.
Foto: Martijn Beekman / Rijksoverheid. Officiële portretfoto, beschikbaar gesteld voor redactioneel gebruik.
Bronnen
- BNR op 26 september bnr.nl
- uitleg van de Rijksoverheid over het bestaande wetsvoorstel rijksoverheid.nl
- box 3-tarief voor 2026 rijksoverheid.nl
- budgettaire bijlage bij de Kamerbrief van september 1ekamer.nl
- Kamerbrief, gedateerd 13 september 2026 open.overheid.nl
- Belastingdienst zakelijke voorwaarden hebben belastingdienst.nl
- Belastingdienst over excessief lenen belastingdienst.nl
- dossier van de Eerste Kamer eerstekamer.nl
Lees ook
- Het kabinet lokt de oppositie met een snellere vermogenswinstbelasting maar zet over jouw box 3 nog niets op papier27 september 2026 · Politiek beleid
- Wie betaalt de eerste renteverhoging van de Fed sinds 2023 nu obligaties weer inkomen bieden en de Amerikaanse huizenmarkt vastloopt?27 september 2026 · Politiek beleid
- Het kabinet zet jouw box 3 ineens op de onderhandelingstafel om steun voor de begroting te winnen26 september 2026 · Politiek beleid
- De box 3-vrijstelling van 59.357 euro verdwijnt zodra je je werkelijke rendement doorgeeft25 september 2026 · Politiek beleid
- Een compromis over box 3 verschuift de rekening naar iemand anders25 september 2026 · Politiek beleid