De Belegger

Politiek en beleid

De box 3-vrijstelling van 59.357 euro verdwijnt zodra je je werkelijke rendement doorgeeft

De normale box 3-vrijstelling telt niet mee bij werkelijk rendement. Toch kan juist die methode honderden euro's goedkoper uitpakken.

Box 3 · De vrijstellingsval
Zo werkt het heffingsvrij vermogen bij tegenbewijs
De hoofdregel
Bij het fictieve rendement telt het heffingsvrij vermogen van 59.357 euro gewoon mee.
De val
Kies je via de tegenbewijsregeling voor je werkelijke rendement, dan vervalt die aftrek volledig.
Het gevolg
Bij bijvoorbeeld 100.000 euro aan aandelen bepaalt precies dit verschil of tegenbewijs überhaupt loont.

In het kort:

  • Het heffingsvrij vermogen bedraagt in 2026 €59.357 per persoon, maar die vrijstelling wordt niet afgetrokken bij de berekening van werkelijk rendement.

  • De Belastingdienst vergelijkt het fictieve rendement met het werkelijke rendement en gebruikt automatisch de voordeligste uitkomst.

  • Bij €100.000 aan beleggingen en slechts €1.000 werkelijk rendement kan de belasting in een eenvoudig voorbeeld dalen van ongeveer €878 naar €360.

Wie in 2026 vermogen in box 3 heeft, kent waarschijnlijk het bedrag van €59.357. Dat is het heffingsvrij vermogen voor iemand zonder fiscale partner. Met een fiscale partner is dat gezamenlijk €118.714. Toch verdwijnt deze vrijstelling uit de rekensom zodra de Belastingdienst het werkelijke rendement berekent.

Dat klinkt op het eerste gezicht alsof de tegenbewijsregeling een verborgen belastingverhoging bevat. Zo simpel is het niet. De Belastingdienst rekent namelijk zowel met het fictieve rendement als met het werkelijk behaalde rendement en gebruikt uiteindelijk de voordeligste uitkomst. Juist die vergelijking maakt de ontbrekende vrijstelling interessant voor beleggers.

Bij werkelijk rendement telt de volledige portefeuille mee

De Belastingdienst is hierover expliciet. Bij het fictieve rendement wordt het heffingsvrij vermogen wel meegenomen. Bij het werkelijke rendement niet. De Hoge Raad heeft bepaald dat voor de werkelijke-rendementsmethode wordt gekeken naar het rendement over het totale vermogen, zonder eerst €59.357 van de vermogensgrondslag af te trekken.

Daarbij telt niet alleen ontvangen rente of dividend mee. Ook de waardestijging of waardedaling van aandelen, crypto en andere bezittingen valt in het werkelijke rendement. Winsten en verliezen binnen hetzelfde jaar worden met elkaar verrekend. Is het totale werkelijke rendement negatief, dan zet de Belastingdienst dit op nul.

Werkelijk rendement doorgeven bij de Belastingdienst

Een belegger met €100.000 laat het verschil goed zien

Neem een belegger zonder fiscale partner met op 1 januari €100.000 aan aandelen en verder geen box 3-bezittingen of schulden. Voor de voorlopige berekening van 2026 gebruikt de Belastingdienst voor overige bezittingen een fictief rendement van 6,00%. Dat levert eerst €6.000 fictief rendement op.

De normale vrijstelling werkt vervolgens via de grondslag. Van de €100.000 blijft na aftrek van €59.357 nog €40.643 over. Dat is 40,643% van het vermogen. Toegepast op €6.000 fictief rendement ontstaat ongeveer €2.439 belastbaar voordeel. Bij een box 3-tarief van 36% komt de belasting in deze vereenvoudigde berekening uit op ongeveer €878.

Bij slechts 1% werkelijk rendement zakt de rekening flink

Stel nu dat dezelfde belegger in werkelijkheid maar €1.000 rendement heeft behaald. Bij de werkelijk-rendementsmethode wordt niet eerst €59.357 vrijgesteld. De volledige €1.000 geldt als werkelijk rendement. Daarover is 36% belasting ongeveer €360.

Ondanks het ontbreken van de vrijstelling is de werkelijke-rendementsmethode in dit voorbeeld dus ongeveer €518 voordeliger dan de fictieve methode. Dat komt doordat het echte rendement veel lager was dan de 6% waarmee de Belastingdienst voor beleggingen rekent.

Opzet van box 3

Een hoger werkelijk rendement maakt de regel juist onbelangrijk

Draai het voorbeeld om en veronderstel dat de belegger €4.000 werkelijk rendement behaalt. Zonder vrijstelling zou 36% daarvan €1.440 zijn. Dat is duidelijk meer dan de circa €878 uit de fictieve berekening.

Toch betaalt de belegger in dat geval niet automatisch €1.440. De Belastingdienst vergelijkt beide uitkomsten en gebruikt de voor de belastingplichtige voordeligste methode. In dit voorbeeld blijft de fictieve berekening dus leidend. Het doorgeven van werkelijk rendement kan de aanslag daardoor verlagen, maar niet verhogen.

De grens van €59.357 blijft wel belangrijk

De opvallende regel betekent ook niet dat iedereen met een klein vermogen ineens belasting betaalt. Het heffingsvrij vermogen bepaalt nog steeds of iemand überhaupt box 3-inkomen heeft. In de aangifte 2025 vraagt de Belastingdienst pas om werkelijk rendement wanneer het vermogen boven de geldende vrijstelling uitkomt.

Het verschil zit dus een stap later. Zodra iemand boven de grens zit en de vergelijking met werkelijk rendement relevant wordt, kijkt de Belastingdienst voor die tweede methode naar het rendement over het totale vermogen. Dat detail is makkelijk te missen omdat dezelfde vrijstelling in de fictieve berekening juist wél zichtbaar blijft.

Voor beleggers kan een slecht beursjaar daardoor extra belangrijk worden

Vooral in jaren waarin aandelen, crypto of vastgoed weinig opleveren of dalen, kan de werkelijk-rendementsmethode interessant zijn. Een lage of negatieve koersontwikkeling kan het totale werkelijke rendement sterk drukken, terwijl het fictieve systeem met vaste percentages blijft rekenen.

Daar staat tegenover dat verliezen niet onbeperkt kunnen worden doorgeschoven. Als het totale werkelijke rendement in een jaar negatief is, wordt het voor deze berekening op nul gezet. Een negatief jaar mag volgens de huidige regeling niet worden verrekend met een positief rendement in een later jaar.

Dit is de regel die veel beleggers makkelijk verkeerd lezen

De €59.357 vrijstelling verdwijnt dus niet uit box 3 als geheel. Zij verdwijnt specifiek uit de berekening van het werkelijke rendement. Dat verschil is cruciaal. Wie alleen naar de vrijstelling kijkt, kan denken dat het doorgeven van werkelijk rendement ongunstig is, terwijl de Belastingdienst juist altijd de laagste van de twee berekeningen gebruikt.

Voor particuliere beleggers is de belangrijkste stap daarom niet automatisch kiezen voor fictief of werkelijk rendement, maar beide berekeningen naast elkaar leggen. Juist in jaren met een zwak beursrendement kan de methode zonder vrijstelling uiteindelijk toch honderden of duizenden euro's voordeliger uitpakken.

Lees ook

Deel dit artikel

WhatsAppXLinkedIn

Open in de app