De Belegger

Nederlandse aandelen

Reken mee waarom een hoger dividendrendement bij de VanEck Dividend Leaders ETF eerder een waarschuwing dan een cadeau kan zijn

TDIV selecteert honderd dividendleiders, maar een hoge uitkering kan ook het gevolg zijn van een dalende koers. We rekenen winstdekking, herweging en drie jaar koersscenario’s door.

In het kort

TDIV zoekt honderd grote dividendbetalers in ontwikkelde markten. De VanEck Morningstar Developed Markets Dividend Leaders UCITS ETF kijkt niet alleen naar de hoogte van het dividend, maar ook naar de weerbaarheid en verwachte groei ervan. Toch blijft een dividendfilter afhankelijk van cijfers die al zichtbaar zijn.

Een hoog dividendrendement kan twee dingen betekenen. Het kan wijzen op een gezonde onderneming die veel vrije kas uitkeert. Het kan ook oplopen doordat de koers daalt voordat het dividend wordt verlaagd. Dat verschil bepaalt of de lage waardering een kans of een waarschuwing is.

De officiële NAV bedroeg op 25 september €54,62. TDIV is de uitkerende Nederlandse shareclass met ISIN NL0011683594. Het fonds keert per kwartaal uit, noteert in euro en rekent 0,38 procent jaarlijkse kosten. De koersscenario’s voor 2027 tot en met 2029 houden dividend apart van de fondskoers.

Een dividend-ETF maakt beleggen overzichtelijker, maar niet automatisch eenvoudiger. Het fonds verzamelt honderd ondernemingen die een aantrekkelijk inkomen beloven. Daarmee verdwijnt het risico van één verkeerd gekozen aandeel grotendeels. Het economische risico verschuift alleen naar de methode waarmee die honderd namen zijn geselecteerd.

TDIV volgt een index die grote bedrijven uit ontwikkelde markten rangschikt op dividendrendement, de kans dat het dividend standhoudt en de verwachte groei. Dat is zinniger dan simpelweg de hoogste percentages kopen. De lastige bedrijven zijn juist de gevallen waarin de cijfers nog goed genoeg ogen terwijl de onderneming al achteruitgaat. De koers reageert vaak eerder dan het dividendbesluit. Daardoor stijgt het gemeten rendement en kan een aandeel aantrekkelijker lijken op het moment dat het risico toeneemt.

Een hoog rendement kan een verkeerd signaal geven

Stel dat een aandeel jaarlijks €2 dividend betaalt en €50 kost. Het rendement is 4 procent. Daalt de koers naar €35 terwijl het dividend nog niet is aangepast, dan loopt dat rendement op naar 5,7 procent. De belegger ontvangt niet méér geld. De markt twijfelt alleen sterker of die €2 houdbaar is.

De eerste module laat dit verband zien met de uitkeringsratio. Een onderneming die €2 dividend betaalt op €3 winst per aandeel keert twee derde van haar winst uit. Dat kan prima zijn bij een stabiel verdienmodel. Dezelfde €2 op €1,50 winst betekent dat de uitkering boven de jaarwinst ligt. Reserves kunnen het verschil tijdelijk opvangen, maar niet eindeloos.

De index probeert zulke gevallen te vermijden met kwaliteitsfilters. Toch kent iedere systematische methode een vertraging. Jaarrekeningen verschijnen na afloop van een periode. Analistenramingen veranderen stap voor stap. Besturen wachten soms lang met een dividendverlaging, omdat zij weten hoe gevoelig aandeelhouders daarvoor zijn. Ondertussen kan de balans verslechteren of kan de vrije kasstroom wegvallen.

Dat maakt sectorcontext belangrijk. Een bank kan een hoge uitkering dragen zolang kredietverliezen laag blijven en de kapitaalbuffer ruim is. Een telecombedrijf kan voorspelbare abonnementen hebben, maar tegelijk zwaar investeren in netwerken en veel schuld dragen. Een energiebedrijf kan buitengewoon veel kas genereren bij hoge olie- en gasprijzen, terwijl die kas in een volgende cyclus snel terugloopt. Hetzelfde dividendrendement vertelt in drie sectoren dus een ander verhaal.

De uitkering van het fonds is geen vaste coupon

VanEck benadrukt zelf dat dividenden niet zijn gegarandeerd. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar het verschil met een obligatiecoupon is groter dan veel inkomensbeleggers denken. Een obligatie heeft contractuele betalingen zolang de uitgevende instelling niet in gebreke blijft. Een aandeelhoudersuitkering is een keuze van bestuur en aandeelhouders. Zij kan worden verlaagd om schuld af te lossen, te investeren of een kapitaalbuffer te beschermen.

Bij een ETF telt vervolgens het gewicht van iedere verlager. Wanneer 15 procent van de portefeuille zijn dividend met 40 procent verlaagt, daalt het totale fondsinkomen in het eenvoudige model met 6 procent. Een startuitkering van 3 procent wordt dan ongeveer 2,82 procent. Dat is geen ramp, maar wel een herinnering dat honderd aandelen niet honderd onafhankelijke bronnen zijn. Banken kunnen tegelijk last krijgen van een recessie en energiebedrijven tegelijk van lagere grondstoffenprijzen.

De keerzijde is gunstig. Eén teleurstelling hoeft het fonds niet te breken. Een individuele belegger met vijf dividendaandelen kan door één verlaging een groot deel van het inkomen verliezen. Bij TDIV is de schade doorgaans kleiner. Bovendien wordt de index opnieuw samengesteld, waardoor zwakkere namen uiteindelijk plaatsmaken voor sterkere kandidaten.

De uitkering blijft wel een achteraf gemeten bedrag. Wie het rendement over de laatste twaalf maanden ziet, kijkt naar dividendbesluiten die onder eerdere omstandigheden zijn genomen. Voor de komende twaalf maanden tellen winst, kasstroom, schuld en toezichthouderseisen. Een hoog historisch dividend is daarom een startpunt voor analyse, geen belofte.

Halfjaarlijks herwegen is degelijk, maar niet onmiddellijk

De index wordt volgens de fondsdocumentatie halfjaarlijks opnieuw samengesteld. Dat voorkomt dagelijks heen en weer handelen en houdt transactiekosten binnen de perken. Het betekent ook dat een probleempositie maanden in het fonds kan blijven nadat het risico duidelijker wordt.

De herwegingsmodule maakt die vertraging zichtbaar. Bij een gewicht van 2 procent en een maandelijkse koersdaling van 5 procent gedurende vier maanden kost de positie ongeveer 0,37 procentpunt aan fondswaarde. Dat is beheersbaar. Wanneer meerdere grote posities tegelijk dalen, stapelt de schade zich op. Een regelgestuurde verkoop voorkomt bovendien niet dat de ETF laag verkoopt nadat de markt het nieuws al heeft verwerkt.

Toch is een vaste herweging niet per definitie een zwakte. Zij beschermt ook tegen emotionele beslissingen. Een mens kan een slecht aandeel blijven vasthouden omdat het dividend ooit betrouwbaar was. Een index heeft geen herinnering aan oude successen. Wanneer een onderneming niet meer aan de regels voldoet, verdwijnt zij bij de volgende aanpassing.

De nuttige vraag is dus niet of de index ieder probleem vroeg genoeg ziet. Dat lukt geen enkele methode. Het gaat erom of de combinatie van kwaliteitsregels, spreiding en herweging genoeg fouten opvangt om de lage waardering en uitkering aantrekkelijk te maken.

Wat zit er onder de eurokoers?

TDIV noteert in euro, maar bezit ondernemingen die verdienen in dollars, ponden, Zwitserse franken en andere valuta. De beurslijn in Amsterdam zet die buitenlandse waarden alleen om naar euro. Zij dekt het valutarisico niet automatisch af.

Een sterkere euro kan de waarde van buitenlandse winsten drukken wanneer die naar euro worden omgerekend. Een zwakkere euro werkt andersom. Bij een wereldwijd fonds kan die beweging per land verschillen. Het Britse pond kan stijgen terwijl de dollar daalt. Daardoor is valuta op korte termijn rommelig en op lange termijn vaak minder bepalend dan winstgroei, maar nog altijd merkbaar.

De jaarlijkse kosten van 0,38 procent zijn veel voorspelbaarder. Zij worden doorlopend uit het fondsvermogen gehaald en zitten daardoor al in de NAV. Over tien jaar is het verschil met een identieke portefeuille zonder kosten ongeveer 3,7 procent, nog voordat samengestelde rendementen worden meegenomen. Dat is niet gratis, maar ook niet de grootste bedreiging. Eén brede dividendverlaging of een flinke waarderingskrimp kan in een jaar veel zwaarder wegen.

Lees ook: Vanguard S&P 500 ETF VUSA, alles wat je moet weten. Een brede marktindex kiest bedrijven op beurswaarde en laat daardoor goed zien wat een dividendfilter aan de portefeuille verandert.

Wat moet €54,62 waarmaken?

Bij een ETF werkt een gewone koers-winstverhouding anders dan bij één bedrijf. De winst per aandeel is een gewogen optelsom van honderd ondernemingen. Toch kan de waardering achteruit worden gerekend. Voor totaalrendement tellen drie bronnen: groei van de onderliggende winst, verandering van de portefeuillewaardering en contante uitkeringen.

De reverse module begint bij €54,62. Bij 8 procent gewenst totaalrendement, €1,70 jaarlijkse cashuitkering en een eindwaardering van 13 keer winst is ongeveer 6 procent jaarlijkse groei van de onderliggende winst nodig. De precieze uitkomst verandert met iedere schuif. Een hogere uitkering verlaagt de vereiste eindkoers, maar alleen wanneer zij werkelijk uit winst en kasstroom kan worden betaald.

Daar zit de belangrijkste dubbeltelling. Dividend is geen bonus boven op de economische waarde. Wanneer het fonds uitkeert, daalt de NAV in beginsel met hetzelfde bedrag. Daarom staan de uitkeringen buiten de koersscenario’s. Wie koersrendement en dividend optelt, krijgt totaalrendement. Wie dividend tegelijk in de winstgroei en nogmaals als cash telt, maakt de uitkomst te mooi.

Een lagere eindmultiple kan winstgroei volledig opslokken. Wanneer de portefeuillewinsten drie jaar met 4 procent groeien maar beleggers daarna nog maar 11 keer in plaats van bijna 14 keer de winst betalen, kan de koers lager staan. Dat is precies waarom een lage huidige waardering prettig is, maar geen garantie biedt.

Drie paden voor 2027, 2028 en 2029

Het bearscenario veronderstelt eerst dalende winst, een lagere waarderingsfactor en een tegenwerkende valuta. De mogelijke koersen blijven daardoor onder de huidige NAV. Het middenscenario combineert bescheiden winstgroei met een ongeveer stabiele waardering. Het gunstige pad vraagt zowel groei als enig herstel van de multiple.

De getoonde bedragen zijn mogelijke koersen in september 2027, 2028 en 2029. Uitgekeerd dividend staat er niet in. Daardoor blijven de huidige NAV, het toekomstige inkomen en de koers goed vergelijkbaar. De bediening verandert winstgroei en valuta voor alle scenario’s, zodat meteen duidelijk wordt welke aanname het zwaarst weegt.

De positieve beleggerscasus is aantrekkelijk. TDIV biedt grote gevestigde ondernemingen, een lagere waardering dan veel groeifondsen en een concrete kwartaaluitkering. De portefeuille is minder afhankelijk van Amerikaanse megatechnologie en kan goed presteren wanneer waardeaandelen en inkomen populairder worden.

Het tegenargument is dat een dividendstrategie juist terechtkomt in sectoren met lage groei, hoge schuld of sterke regulering. Een hoge uitkering kan de pijn van een koersdaling verzachten, maar niet wegnemen. De indexregels verminderen het risico van een duidelijke dividendval. Zij kunnen niet voorkomen dat de markt eerder ziet dat de cijfers gaan kantelen.

Foto: Martijn Rozemuller, CEO van VanEck Europe. Archiefportret via Investrends.

Koersen van de genoemde bedrijven

TDIV

Koersen op die pagina's zijn vertraagd, met tijdstempel.

Lees ook

Deel dit artikel

WhatsAppXLinkedIn

Open in de app