De Belegger

Van de redactie

Toeristen geven miljarden meer uit maar niet iedereen verdient mee

Toeristische bestedingen stegen naar €117,6 miljard. Achter dat bedrag gaan prijsstijgingen en echte groei schuil. Voor ondernemers bepaalt de combinatie van bezetting, prijs en kosten hoeveel daarvan overblijft.

In het kort

Toeristen besteedden in 2025 bijna 6 miljard euro meer bij Nederlandse bedrijven, maar die stijging is niet volledig extra economische activiteit. Na prijscorrectie resteert 3,1 procent groei. Voor ondernemers bepaalt vooral het verschil tussen verkoopprijzen, bezetting en kosten wat daarvan overblijft. Meer toeristische bestedingen zijn daarom goed nieuws voor de vraag, maar nog geen bewijs van hogere winst of betere leefbaarheid.

De nieuwe CBS-publicatie van 25 september 2026 beschrijft het hele jaar 2025. De voorlopige bestedingen komen uit op €117,6 miljard, tegen ongeveer €112 miljard in 2024. Buitenlandse toeristen dragen meer dan de helft van de nominale stijging. Het is dus een nieuw gepubliceerd jaarbeeld, geen meting van het huidige vakantieseizoen.

De economische vraag begint waar de grote miljardenkop eindigt. Komt de groei door meer geleverde diensten of hogere prijzen? Verdient het hotel meer, of gaan de extra ontvangsten naar personeel en leveranciers? En als bezoekers extra druk leggen op een buurt, ontvangen de bewoners dan ook een deel van de opbrengst? Die vragen vereisen verschillende rekeningen. Eén landelijk totaal kan ze niet allemaal beantwoorden.

Een grotere rekening is niet hetzelfde als meer vakantie

Nominale groei is groei gemeten in euro’s van het betreffende jaar. Reële groei haalt de prijsverandering eruit. Dat onderscheid is nodig omdat een identieke overnachting een hogere rekening kan opleveren zonder dat er een extra kamer is verkocht. Omgekeerd kan een ondernemer meer gasten ontvangen terwijl prijsconcurrentie zijn omzetgroei beperkt.

Een eenvoudig rekenvoorbeeld maakt het verschil zichtbaar. Neem een pakket toeristische diensten waarvoor klanten eerst samen €100 betalen. Een jaar later wordt dat €105. Wanneer de prijzen gemiddeld 2 procent stijgen, vertegenwoordigt de nieuwe rekening €105 gedeeld door 1,02, oftewel €102,94 aan diensten tegen de oude prijzen. De volumegroei is dan 2,94 procent. Vijf procent omzetgroei min twee procent prijsstijging is een bruikbare benadering, maar niet de exacte berekening.

De eerste module laat die verhouding zien. De beginstand is bewust een afgerond voorbeeld met 5 procent nominale groei en 2 procent prijsstijging. Zij reconstrueert niet de volledige CBS-berekening. Daarvoor worden verschillende producten en prijsontwikkelingen samengebracht. De algemene consumentenprijsinflatie is bovendien niet automatisch de juiste prijsindex voor toerisme.

Ook de afbakening is breder dan de drukte bij de grachten of op een camping. Volgens de CBS-definitie van toeristische bestedingen kunnen uitgaven aan Nederlandse aanbieders meetellen terwijl de reiziger Nederland helemaal niet bezoekt, bijvoorbeeld bij een online boeking. Uitgaven voorafgaand aan een reis en bepaalde recreatiegoederen horen eveneens bij de rekening.

Daarom is het onjuist om de €117,6 miljard door een willekeurig aantal hotelgasten te delen en dat de gemiddelde besteding per toerist te noemen. Teller en noemer zouden dan verschillende activiteiten en populaties beschrijven. Voor een plaatselijke ondernemer zijn eigen boekingen, verblijfsduur en besteding per klant bruikbaarder dan zo’n schijnbaar precies landelijk gemiddelde.

De omzet van een bezoeker is nog geen winst voor een bedrijf

Het CBS meet ook toegevoegde waarde: productie minus ingekochte goederen en diensten. Dat is een andere grootheid dan omzet én dan winst. Uit de toegevoegde waarde worden onder meer arbeid en kapitaal beloond. De methodische toelichting voorkomt dat dezelfde ingekochte producten telkens opnieuw als economische bijdrage worden opgeteld.

Voor het bedrijf zelf is de beslissende rekensom concreter. Neem een fictieve logiesonderneming die op jaarbasis 1.000 kamernachten verkoopt tegen gemiddeld €120, exclusief btw en toeristenbelasting. De omzet bedraagt €120.000. Veronderstel €35 aan variabele kosten per verkochte nacht en €70.000 vaste operationele kosten per jaar, inclusief het vaste personeelsbestand. Dan resteert €120.000 min €35.000 min €70.000: €15.000 operationeel saldo.

Dat saldo is niet de netto-inkomst van de eigenaar. Afschrijving, financieringslasten en winstbelasting zijn in dit vereenvoudigde model nog niet verwerkt. Ook een benodigde renovatie vraagt geld, zelfs wanneer die niet onmiddellijk volledig als kosten in de resultatenrekening verschijnt. De kas en de winst kunnen dus uiteenlopen.

Stijgen de variabele kosten naar €42 per nacht, dan blijft bij dezelfde prijs en bezetting nog €8.000 over. De omzet verandert niet, maar het operationele saldo daalt met bijna de helft. Dat is het effect van een dunne buffer: €7.000 extra kosten komt volledig ten laste van een aanvankelijk saldo van €15.000.

Een extra gast kan wel aantrekkelijk blijven. Zolang de opbrengst van die gast hoger is dan de extra kosten en er ongebruikte capaciteit is, draagt de boeking bij aan de vaste rekening. Maar zodra extra bezetting een nieuwe medewerker of uitbreiding vereist, maakt de kostenlijn een sprong. Dan werkt de eenvoudige aanname van constante kosten per nacht niet meer. Groei moet per capaciteitsstap worden doorgerekend.

Dezelfde extra euro levert niet voor iedereen hetzelfde op

Een ondernemer met lege kamers buiten het hoogseizoen kan extra bezoekers ontvangen zonder een nieuw gebouw neer te zetten. Een ondernemer die al vol zit, moet eerder kiezen tussen hogere prijzen, extra capaciteit of het afwijzen van klanten. Het eerste bedrijf kan met volumegroei zijn bestaande investering beter benutten. Bij het tweede kan dezelfde extra vraag vooral in prijzen terechtkomen.

Voor werknemers is de uitkomst weer anders. Meer vraag kan extra uren en onderhandelingsruimte bieden. Zij profiteren echter pas in hun koopkracht wanneer het loon na prijsstijgingen daadwerkelijk meer kan kopen. Een hogere omzet per werknemer is niet automatisch een even grote loonstijging. Omgekeerd hoeft een stijgende loonrekening geen verslechtering te zijn wanneer dezelfde ploeg meer of betere diensten levert.

De nieuwe CBS-cijfers melden €42,3 miljard toegevoegde waarde, met 3,9 procent reële groei. Het arbeidsvolume nam veel minder toe, met 0,6 procent tot 458.000 arbeidsjaren. Dat zijn voltijdequivalenten, niet evenveel afzonderlijke werknemers. De StatLine-toelichting beschrijft waarom banen, mensen en arbeidsjaren niet uitwisselbaar zijn.

Het verschil tussen productiegroei en arbeidsvolume past bij meer productie per arbeidsjaar. Het bewijst niet dat iedere receptionist of schoonmaker productiever is geworden. Een andere mix van activiteiten, betere benutting van bestaande capaciteit of verschuiving naar bedrijven met een hogere toegevoegde waarde kan het sectorgemiddelde eveneens veranderen.

Voor bewoners telt daarnaast iets wat buiten de bedrijfsrekening kan vallen. Extra bezoekers kunnen voorzieningen helpen dragen, maar ook ruimte en publieke dienstverlening gebruiken. Of de lokale balans positief is, vraagt informatie over opbrengsten én bijkomende kosten. Een hogere landelijke besteding geeft geen vrijbrief voor uitbreiding op iedere locatie. Het tegenovergestelde is evenmin juist: overlast op één druk punt bewijst niet dat toeristische groei elders onwenselijk is.

Hoeveel extra nachten zijn nodig om de oude marge terug te krijgen

Terugrekenen maakt zichtbaar hoeveel groei een ondernemer werkelijk nodig heeft. In ons voorbeeld daalde het saldo naar €8.000 doordat de kosten per nacht van €35 naar €42 stegen. Om opnieuw €15.000 over te houden, moet de onderneming €70.000 vaste kosten plus €15.000 gewenst saldo dekken. Elke verkochte nacht levert nu €120 min €42, dus €78, voor die dekking op.

De benodigde verkoop is daarom €85.000 gedeeld door €78: ongeveer 1.090 kamernachten. Tegenover de oorspronkelijke 1.000 nachten is bijna 9 procent extra verkoop nodig. Wie alleen kijkt naar een paar procent landelijke groei, kan die herstelopgave gemakkelijk onderschatten.

Bij een veronderstelde beschikbare jaarcapaciteit van 1.500 kamernachten stijgt de vereiste bezetting van 66,7 naar ongeveer 72,7 procent. Dat lijkt haalbaar, maar capaciteit is niet vrij tussen data uitwisselbaar. Een onverkochte dinsdag in november compenseert geen volledig bezette zaterdag in augustus wanneer klanten uitsluitend die zaterdag willen komen. De module toetst financiële haalbaarheid op jaarbasis, geen boekingskalender.

De andere route is een hogere prijs. Bij 1.000 nachten moet de gemiddelde prijs van €120 naar €127 om dezelfde kostenstijging te compenseren. Dat is 5,8 procent meer. Deze uitkomst veronderstelt dat geen klant afhaakt. Prijsruimte en volumegroei mogen daarom niet onafhankelijk als gegarandeerde verbeteringen worden opgeteld. Juist bij gemakkelijk vergelijkbare accommodaties kan een hogere prijs de bezetting raken.

Drie bedrijfsscenario’s tonen waar de winst verdwijnt

Voor 2027, 2028 en 2029 rekenen we vanaf een fictieve uitgangssituatie in 2026. Die gebruikt dezelfde 1.000 nachten, €120 opbrengst, €35 variabele kosten en €70.000 vaste kosten. De peildatum is 25 september 2026. Dit zijn gevoeligheidsscenario’s voor één voorbeeldbedrijf, geen voorspellingen voor toerisme in Nederland. De nominale jaarsaldi volgen steeds uit verkochte nachten maal het verschil tussen prijs en variabele kosten, min vaste kosten.

In het basisscenario stijgen de verkochte nachten jaarlijks 2 procent en de prijzen eveneens 2 procent. Zowel variabele kosten per nacht als vaste kosten stijgen 3 procent. Het jaarlijkse operationele saldo loopt dan op naar ongeveer €16.000 in 2027, €17.000 in 2028 en €18.100 in 2029. Meer bezetting compenseert hier de snellere kostenstijging.

Bij beperkte prijsruimte blijft het aantal nachten gelijk en stijgt de prijs jaarlijks slechts 1 procent, terwijl beide kostenposten 4 procent duurder worden. Het saldo daalt naar €12.000, €8.800 en €5.500. De omzet groeit in alle drie jaren. Toch verslechtert de financiële positie duidelijk: omzetgroei beschermt de marge niet wanneer kosten harder oplopen.

In het scenario betere benutting neemt de verkoop jaarlijks 3 procent toe en de prijs 2 procent. Door veronderstelde efficiëntiewinst stijgen variabele kosten per nacht maar 1 procent; vaste kosten stijgen 2 procent. De saldi worden ongeveer €18.300, €21.700 en €25.500. Dat pad vereist dat de organisatie meer aankan zonder kostbare uitbreiding. Een benodigde investering moet afzonderlijk van deze uitkomsten worden afgetrokken.

Het sterkste tegenargument tegen de nadruk op kosten is terecht: de groei is niet uitsluitend een prijseffect. Er is volgens de voorlopige cijfers werkelijk meer toeristische activiteit. Voor bedrijven met beschikbare capaciteit kan dat een krachtige verbetering zijn. Het voorbeeld laat zelfs zien dat beperkte volumegroei voldoende kan zijn om een operationeel saldo te laten toenemen.

Maar dat argument wordt pas overtuigend op bedrijfsniveau als extra activiteit ook extra opbrengst na kosten oplevert. Voor beleggers hoort daar nog de prijs van het bedrijf bij: een aantrekkende markt kan een slechte belegging opleveren wanneer de waardering al veel snellere winstgroei veronderstelt. Deze nationale cijfers leveren op zichzelf geen koersdoel of redelijke aandelenprijs op.

De conclusie is daarom concreet. De reële groei ondersteunt het toeristische verdienvermogen, maar de kwaliteit van die groei blijkt uit bezetting, opbrengst per verkochte eenheid en kostenontwikkeling. Als die gegevens laten zien dat extra bezoekers samengaan met duurzaam hogere saldi en beheersbare lokale kosten, wordt het positieve oordeel sterker. Wanneer uitsluitend de rekeningen stijgen en de marges dalen, is de miljardenkop voor ondernemers vooral een groter geldbedrag dat door hun kas stroomt.

Lees ook: Reken mee hoeveel minder je moet rijden om de duurdere pomp te verslaan

Bronnen

Lees ook

Deel dit artikel

WhatsAppXLinkedIn

Open in de app