De Belegger

Van de redactie

Statiegeld faalt zodra inleveren meer kost dan het oplevert

Nederland mist de statiegeldnorm niet alleen door gedrag, maar door transactiekosten. Wie verpakkingen verkoopt, moet daarom ook een snelle en betaalde retourroute organiseren.

In het kort

Statiegeld faalt zodra terugbrengen meer tijd en moeite kost dan de terugbetaling waard is. Nederland zamelde in 2025 wel 86 procent van de blikjes en 78 procent van de plastic drankflessen in, maar bleef onder de wettelijke 90 procent. Het kabinet wil daarom vanaf 2028 meer verkooppunten laten innemen en grotere winkels contant laten uitbetalen. Dat is verstandig, mits producenten de rekening dragen en kleine ondernemers niet worden opgezadeld met een onevenredige opslag- en schoonmaaktaak.

De gebruikelijke discussie doet alsof we moeten kiezen tussen de luie consument en een haperende automaat. Dat is te gemakkelijk. De consument heeft bij aankoop al betaald en krijgt zijn eigen geld alleen terug na een kleine logistieke opdracht. Een fatsoenlijk systeem maakt die opdracht kort, voorspelbaar en overal herkenbaar.

De politieke fout zou zijn om nog meer gedragscampagnes te stapelen op een route die zelf niet goed werkt. Een centrumrechtse oplossing begint bij verantwoordelijkheid: wie verpakkingen op de markt brengt, organiseert en betaalt de retourstroom. De overheid stelt een helder resultaat, controleert de cijfers en laat bedrijven concurreren op de goedkoopste betrouwbare uitvoering.

Statiegeld is een contract met verborgen transactiekosten

Statiegeld is geen bonus. Het is een tijdelijk ingehouden bedrag: meestal 15 cent op een klein flesje of blikje en 25 cent op een grote plastic fles. Economisch ontstaat daarmee een eenvoudig contract. De consument schiet geld voor, de keten belooft terugbetaling en de lege verpakking keert terug als grondstof.

De zwakke plek zit in de transactiekosten. Dat zijn alle kosten rond de handeling zelf, zoals zoeken naar een punt, bewaren, vervoeren, wachten en opnieuw proberen bij een storing. Zodra die optelsom groter wordt dan het tegoed, is niet inleveren voor een deel van de mensen een rationele keuze. Een moreel vingertje verandert die rekensom niet.

Volgens het definitieve jaarverslag van Verpact werd in 2025 86 procent van de blikjes en 78 procent van de plastic drankflessen ingezameld. Verpact betaalde 626 miljoen euro aan statiegeld terug en besteedde ruim 220 miljoen euro aan het systeem. Tegelijk bleef 129 miljoen euro aan statiegeld niet opgeëist. Die cijfers laten twee dingen tegelijk zien: de retourstroom is groot én de laatste stap naar 90 procent is geen detail.

Daar staat aantoonbare maatschappelijke winst tegenover. De minister meldde op 26 juni dat statiegeld het zwerfafval van deze verpakkingen met ruim 70 procent heeft verminderd en jaarlijks ongeveer 77 kiloton CO₂ bespaart. Dat rechtvaardigt een stevig systeem, maar geen blanco cheque. Het relevante rendement is niet alleen hoeveel materiaal terugkomt, maar ook hoeveel publieke en private kosten nodig zijn voor iedere extra procentpunt. De Kamerbrief met deze effectcijfers staat bij de Tweede Kamer.

De consument betaalt met tijd boven op vijftien cent

Neem een huishouden dat per maand achttien kleine verpakkingen en twee grote flessen terugbrengt. De bruto terugbetaling is 18 maal 15 cent plus 2 maal 25 cent, samen 3,20 euro per maand en 38,40 euro per jaar. Dat geld was eerder voorgeschoten en is dus geen inkomen.

Kost verzamelen, lopen en wachten vijftien minuten per maand en waarderen we een uur voorzichtig op 15 euro, dan bedragen de tijdkosten 3,75 euro per maand en 45 euro per jaar. Netto is de handeling in dit vereenvoudigde voorbeeld 55 cent per maand, of 6,60 euro per jaar, duurder dan de terugbetaling. Reiskosten zijn nog niet meegerekend. Wie toch naar de supermarkt moest, kan die tijdkosten lager waarderen; wie speciaal omrijdt, zit juist hoger.

Het verschil tussen groepen is belangrijk. Een gezin met opslagruimte kan in één keer een volle zak meenemen. Een student in een kleine kamer, een oudere die slecht ter been is of iemand zonder auto betaalt relatief meer moeite per verpakking. Een systeem dat formeel voor iedereen hetzelfde is, kan praktisch dus ongelijk uitpakken.

Een innameplicht werkt alleen met maat en een eerlijke rekening

Het kabinet kondigde op 4 september aan dat de nieuwe regels naar verwachting op 1 januari 2028 ingaan. De statiegeldplicht wordt uitgebreid naar alle plastic flessen tot en met drie liter, waaronder sap en zuivel. Grote verkooppunten vanaf 200 vierkante meter moeten contante terugbetaling mogelijk maken. Kleine winkels worden uitgezonderd en verkooppunten in elkaars buurt mogen samenwerken.

Dat is de juiste richting. Het huidige model laat supermarkten een groot deel van de lasten dragen, terwijl tankstations, kiosken en andere verkopers wel verpakkingen afzetten. CE Delft onderzocht vier varianten en adviseert uitzonderingen alleen toe te staan wanneer zij doelmatig zijn en de werking nauwelijks verzwakken. Belangrijker nog: ook bij een kapotte automaat moet inname daadwerkelijk mogelijk blijven.

De rekening hoort niet stilletjes bij de winkelier te eindigen. Producenten en importeurs zijn wettelijk verantwoordelijk voor inrichting, bekostiging en functioneren. Verpact moet verkooppunten daarom kostendekkend vergoeden voor ruimte, schoonmaak, elektriciteit, personeel en afvoer. Uiteindelijk kan een deel via productprijzen bij kopers terechtkomen. Dat is verdedigbaar, omdat de prijs dan tenminste laat zien wat een wegwerpverpakking werkelijk kost.

De sterkste tegenwerping blijft serieus. Een brede plicht kan dure machines neerzetten waar nauwelijks volume is, personeel van kleine zaken belasten en boodschappen iets duurder maken. Daarom is een algemene plicht voor iedere snackbar slechte symboliek. Een drempel op vloeroppervlak, gezamenlijke buurtpunten en eisen aan maximale loopafstand of verkochte volumes geven meer resultaat per euro.

De omgekeerde rekensom is belangrijker dan nóg een campagne

De nuttigste vraag is niet hoeveel statiegeld nodig is om gedrag af te dwingen, maar hoeveel tijd de keten mag vragen voordat de prikkel verdampt. De formule is eenvoudig: terugbetaling gedeeld door de waarde van een uur, maal zestig. Bij 3,20 euro statiegeld en 15 euro per uur ligt het omslagpunt op 12,8 minuten.

Dat getal is geen universele prijs voor vrije tijd. Het maakt wel zichtbaar wat beleid vaak negeert. Een storing van tien minuten is voor iemand met één blikje iets anders dan voor iemand met vier volle zakken. Bulkautomaten, zichtbare storingsmeldingen en directe uitbetaling verlagen niet alleen ergernis; zij vergroten de economische waarde van het statiegeld zelf.

Drie routes naar 2029 laten zien waar het geld blijft

Voor een gezamenlijke ordegrootte nemen we 4,3 miljard statiegeldverpakkingen per jaar aan. Dat is een modelaanname, afgeleid van de gepubliceerde 3,6 miljard ingenomen verpakkingen en de recente percentages. Het gemiddelde statiegeld zetten we op 17,4 cent, afgeleid uit 626 miljoen euro terugbetaling gedeeld door 3,6 miljard ingeleverde verpakkingen. De echte mix kan per jaar veranderen.

In het basisscenario stijgt het gezamenlijke innamepercentage van 87 procent in 2027 naar 89 procent in 2028 en 90 procent in 2029. De formule voor het niet-teruggevraagde bedrag is 4,3 miljard maal één min het innamepercentage maal 17,4 cent. Bij 90 procent resteert zo ongeveer 75 miljoen euro en 430 miljoen niet-ingeleverde verpakkingen.

Het trage scenario blijft in 2029 op 86 procent. Dan gaat het om circa 105 miljoen euro en 602 miljoen verpakkingen buiten de retourstroom. Het sterke scenario bereikt 92 procent, goed voor ongeveer 60 miljoen euro en 344 miljoen verpakkingen buiten het systeem. Dit zijn geen voorspelde kansen, maar samenhangende routes die laten zien hoeveel uitvoering uitmaakt.

Laat de markt uitvoeren en laat de overheid de uitkomst afdwingen

De markt kan dit systeem beter uitvoeren dan een ministerie dat automaten gaat aanwijzen. Maar marktwerking begint niet bij vrijblijvendheid. Zonder heldere aansprakelijkheid kan iedere schakel de kosten doorschuiven: de producent naar Verpact, Verpact naar de supermarkt en de supermarkt naar de wachtende consument. Dan is niemand eigenaar van de storing.

De overheid moet daarom vier uitkomsten openbaar afdwingen: bereikbaarheid, werkelijke beschikbaarheid van automaten, gemiddelde afhandelingstijd en de geldstroom tussen geïnd en terugbetaald statiegeld. Hoe bedrijven die doelen halen, mogen zij grotendeels zelf bepalen. Dat nodigt uit tot bulkautomaten, gezamenlijke punten, digitale uitbetaling en concurrentie tussen machineleveranciers zonder een kleine ondernemer tot magazijnhouder te maken.

Ook voor beleggers is dat relevant. Een groter en betrouwbaarder netwerk vergroot de markt voor innameautomaten, software en onderhoud. Lees ook hoe Envipco aan statiegeldmachines verdient, maar bedenk dat regelgeving alleen omzetkansen schept wanneer klanten de apparatuur ook rendabel kunnen gebruiken.

Het oordeel is daarom helder. Meer innamepunten zijn nodig, maar alleen als producenten de volle systeemkosten dragen, grote verkopers een echte retourplicht krijgen en kleine zaken gericht worden ontzien. Het bewijs dat dit oordeel zou veranderen is concreet: geaudite cijfers waaruit blijkt dat de bestaande vrijwillige uitbreiding zonder plicht in 2027 al 90 procent haalt, met hoge automaatbeschikbaarheid en aantoonbaar korte wachttijden. Zolang dat bewijs ontbreekt, is gemak geen luxe. Het is de kernprestatie waarvoor de keten wordt betaald.

Bronnen

Lees ook

Deel dit artikel

WhatsAppXLinkedIn

Open in de app