De Belegger

Van de redactie

Regen beëindigt de droogterekening voor boeren en bedrijven niet

Het landelijke watertekort is afgeschaald, maar daarmee zijn oogstverlies en kwetsbare bedrijfsresultaten niet verdwenen. Minder volume, hogere prijzen en extra kosten bepalen samen wie de schade draagt.

In het kort

Een paar regenbuien kunnen de directe vraag naar beregening verminderen, terwijl lage rivier- en grondwaterstanden nog maanden gevolgen hebben. Rijkswaterstaat schaalde het landelijke watertekort begin september af, maar meldde tegelijk aanhoudende hinder voor meerdere sectoren. De economische schade loopt daardoor op verschillende klokken. Voor boeren en bedrijven tellen vooral gemiste productie, extra kosten en de mogelijkheid om prijzen aan te passen.

Een natte straat is geen bewijs dat de watervoorraad is hersteld. Regen kan de bovenste bodemlaag bevochtigen, terwijl dieper grondwater laag blijft. Ook een rivier reageert op neerslag in een heel stroomgebied, niet uitsluitend op een bui boven Nederland. Die verschillen verklaren waarom de rekening van een droge zomer kan doorlopen nadat het weerbeeld is omgeslagen.

Op 3 september meldde Rijkswaterstaat dat er landelijk geen feitelijk watertekort meer was en werd teruggeschakeld naar dreigend watertekort. Dezelfde publicatie waarschuwde voor regionale verschillen, hinder voor landbouw en scheepvaart en langdurig lage waterstanden. Het bericht is een gedateerde beoordeling, geen garantie dat iedere regio op 24 september dezelfde situatie kent.

Deltacommissaris Co Verdaas wees op 7 september op de noodzaak om de Nederlandse wateraanpak aan te passen. In de toelichting bij de herijking gaat het niet alleen om pompen en sluizen, maar ook om ruimtegebruik en de manier waarop landbouw met waterbeschikbaarheid omgaat. Daarmee verschuift de economische vraag van schade na één droge zomer naar de kosten van blijvende aanpassing.

Minder water en minder omzet zijn geen gelijke percentages

Droogte kan een bedrijf langs meerdere wegen raken. Een akkerbouwer kan minder kilo’s oogsten, meer geld uitgeven aan beregening of met lagere kwaliteit te maken krijgen. Een fabriek kan duurdere aanvoer hebben of beperkingen ondervinden bij proceswater. Een vervoerder kan met minder lading varen. Dezelfde weerssituatie leidt dus tot verschillende financiële effecten.

Een lager productievolume hoeft bovendien niet tot een even grote omzetdaling te leiden. Als schaarste de verkoopprijs verhoogt, kan die een deel van het volumeverlies opvangen. Dat helpt vooral producenten die nog voldoende verkoopbare opbrengst hebben en hun prijs kunnen aanpassen. Wie al tegen een vaste prijs heeft verkocht, profiteert mogelijk minder van de marktstijging.

Neem een fictief landbouwbedrijf met normaal €500.000 omzet. Bij 15 procent minder volume en 10 procent hogere verkoopprijzen wordt de omzet €500.000 maal 0,85 maal 1,10. Dat is €467.500, een daling van 6,5 procent. De prijsstijging compenseert dus een groot deel, maar niet het volledige productieverlies.

De percentages mogen niet eenvoudig worden opgeteld. Een prijsstijging geldt immers alleen voor wat daadwerkelijk wordt verkocht. Wie 15 procent minder produceert, verkoopt 85 procent van het oorspronkelijke volume tegen de nieuwe prijs. Dat is de reden dat min 15 plus 10 niet exact de omzetverandering weergeeft.

Het voorbeeld veronderstelt dat kwaliteit en productmix gelijk blijven. Bij afwaardering van de oogst kan de opbrengst lager uitkomen. Bij een gunstige samenstelling kan het omgekeerde gebeuren. Er wordt geen landelijk oogstverlies uit afgeleid en evenmin een vaste relatie gelegd tussen millimeters neerslag en euro’s omzet.

De marge kan veel harder dalen dan de omzet

Voor de winst maakt het uit welke kosten meebewegen. Grond, machines en een deel van arbeid kosten geld, ook als de oogst tegenvalt. Sommige kosten dalen wel, bijvoorbeeld bepaalde oogst- of verpakkingsuitgaven. Tegelijk kan extra beregening nieuwe kosten veroorzaken. Alleen naar omzet kijken geeft daarom een onvolledig beeld.

In ons rekenvoorbeeld bedragen de normale kosten €350.000, zodat vóór rente en belasting €150.000 overblijft. Door de kleinere oogst wordt €20.000 bespaard, maar beregening en andere droogtemaatregelen kosten €30.000 extra. De nieuwe kosten bedragen dan €360.000. Bij €467.500 omzet resteert €107.500, een vermindering van €42.500 of ruim 28 procent.

De omzet daalt dus met 6,5 procent, terwijl het resultaat met ruim 28 procent terugloopt. Dat is het effect van kosten die niet evenredig met productie dalen. De cijfers zijn redactionele aannames voor één zichtbaar voorbeeldbedrijf. Ze mogen niet worden gelezen als gemiddelde resultaten voor Nederlandse akkerbouwers.

De module laat volume, prijs en extra kosten veranderen. Daarmee wordt zichtbaar waarom een hogere voedselprijs en een slechter boereninkomen tegelijk kunnen voorkomen. Een prijsstijging aan de kassa bewijst niet dat iedere producent meer verdient. Tussen boer en consument staan bovendien verwerking, vervoer, energie, personeel en winkelmarges.

Ook voor afnemers verschilt de positie. Een producent met sterke merken kan kosten mogelijk deels doorberekenen. Een bedrijf dat op vaste contracten levert, kan de schok eerst zelf dragen. Een huishouden met een krap budget heeft minder ruimte om een hogere voedselrekening op te vangen. De economische last volgt daardoor niet automatisch de plek waar het watertekort ontstaat.

Hoeveel prijsstijging is nodig om het resultaat te behouden

De omgekeerde rekensom maakt de druk duidelijk. Het doel is het oorspronkelijke resultaat van €150.000 te behouden. Met €360.000 nieuwe kosten is daarvoor €510.000 omzet nodig. Bij 85 procent van het normale volume moet de verkoopprijs dan uitkomen op €510.000 gedeeld door €500.000 maal 0,85, oftewel 1,20 keer de oude prijs. Er is dus 20 procent prijsstijging nodig.

Dat percentage is groter dan de 17,6 procent die uitsluitend nodig zou zijn om bij 15 procent volumeverlies de oude omzet te behouden. Het verschil ontstaat door de netto €10.000 extra kosten. Behoud van omzet, behoud van winst en behoud van koopkracht zijn drie verschillende doelen.

Een benodigde prijsverhoging is echter geen prijs die het bedrijf automatisch kan vragen. Import, contracten, consumentenreacties en concurrentie begrenzen de doorberekening. Bij een lokaal tegenvallende oogst kunnen buitenlandse aanbieders de markt aanvullen. Bij brede internationale droogte kan die uitweg kleiner zijn. Zonder gegevens over de betreffende markt is een voorspelling van supermarktprijzen daarom niet verantwoord.

Voor beleid volgt daaruit dat generieke compensatie makkelijk verkeerd terechtkomt. Een bedrijf met behouden volume en hogere prijzen kan juist profiteren, terwijl een bedrijf met grote schade achterblijft. Wie ondersteuning beoordeelt, moet kijken naar aantoonbare schade, eigen aanpassingsmogelijkheden en prikkels voor toekomstig watergebruik. Alleen de sectornaam is een te grove selectie.

Drie oogstpaden zijn een stresstest en geen weersverwachting

Een betrouwbare weersverwachting voor de zomers van 2027, 2028 en 2029 kan deze analyse niet geven. Wel is een meerjarige financiële stresstest zinvol, omdat investeringen in machines, wateropslag en teeltkeuzes over meerdere jaren doorwerken. We vergelijken daarom expliciet aangenomen combinaties van volume, prijs en extra kosten.

Het basisscenario heet geleidelijke aanpassing. Voor 2027, 2028 en 2029 nemen we volumeverliezen van 10, 7 en 5 procent aan, prijsstijgingen tegenover het normale niveau van 7, 5 en 3 procent en extra kosten van €20.000, €15.000 en €10.000. Bij gelijkblijvende normale omzet van €500.000 en basiskosten van €350.000 resteert respectievelijk €111.500, €123.250 en €129.250.

In een pad met ruimer wateraanbod veronderstellen we geen volumeverlies, geen prijsstijging en geen extra droogtekosten. Het resultaat is dan ieder jaar €150.000. Bij herhaald watertekort gebruiken we elk jaar 15 procent volumeverlies, 10 procent hogere prijzen en €30.000 extra kosten. Dat geeft jaarlijks €87.500. Anders dan in het eerdere eenjaarsvoorbeeld rekenen deze drie paden conservatief zonder bespaarde oogstkosten.

De modellen bevatten geen kansen en geen onafhankelijke oogstraming. Het gunstiger weerpad hoeft ook niet voor iedere individuele producent de hoogste opbrengst te geven: prijsdalingen kunnen bij overvloed groter zijn dan hier aangenomen. Juist daarom staan volume en prijs samen in de uitleg en wordt niet uitsluitend het wateraanbod als financiële voorspeller gebruikt.

De sterkste tegenwerping tegen een blijvend somber beeld is dat ondernemers zich aanpassen. Andere gewassen, bodemverbetering, efficiënter watergebruik en voorraden kunnen schade beperken. Handel kan tekorten aanvullen. Regen in het relevante stroomgebied kan de situatie bovendien sneller verbeteren dan verwacht. Die mogelijkheden verdienen evenveel aandacht als de zichtbare schade.

Aanpassing kost echter geld en kan watergebruik ook verplaatsen in plaats van verminderen. Een investering moet daarom worden beoordeeld op aantoonbaar minder kwetsbaarheid, inclusief beheer en onderhoud. De rekening verdwijnt niet wanneer zij van een ondernemer naar een waterschap of overheid verhuist.

De conclusie is dat regen de eerste verlichting kan geven zonder de economische schade te beëindigen. Doorslaggevend zijn verkoopbare opbrengst, gerealiseerde prijzen, extra kosten en de werkelijke beschikbaarheid van water. Als die indicatoren aantoonbaar herstellen, wordt ook het financiële oordeel gunstiger. Een paar natte dagen alleen zijn daarvoor onvoldoende bewijs.

Lees ook: waarom minder belading op de Rijn de kosten per ton verhoogt.

Omslag: Co Verdaas, 3 november 2012. Martin Hoogenboom / De Beeldredaktie, via PvdA en Wikimedia Commons, CC BY 2.0. Archiefbeeld, onbewerkt bronbestand.

Bronnen

Lees ook

Deel dit artikel

WhatsAppXLinkedIn

Open in de app