De Belegger

Van de redactie

Het belastingvoordeel voor werkenden valt ongelijk uit

Een hogere schijfgrens helpt werkenden, maar niet iedereen evenveel. De kabinetsbrief toont vooral minder koopkrachtverlies. Zo werken de belastingvoordelen en tegenvallers door.

In het kort

Het kabinet wil de grens voor het hoogste belastingtarief in 2027 verhogen naar 80.578 euro. Daartegenover staat een kleinere verhoging van de arbeidskorting. De eigen koopkrachttabel laat zien wat dat oplevert: werkenden gaan in doorsnee niet langer 0,2 procent, maar 0,1 procent achteruit. Vooral hogere inkomens profiteren van de aanpassing. Ook middeninkomens kunnen voordeel hebben doordat de algemene heffingskorting langzamer verdwijnt. Wie daarnaast spaart of belegt, moet echter de veranderingen in box 3 meewegen.

Een belastingverlaging klinkt als goed nieuws voor iedereen die werkt. Maar bij het nieuwe kabinetsvoorstel maakt het nogal uit welk salaris op de loonstrook staat. Iemand met een belastbaar inkomen van 85.000 euro krijgt rechtstreeks voordeel van de hogere grens voor het toptarief. Bij 50.000 euro loopt dat voordeel via een andere regeling. En voor een lager inkomen kan de nieuwe verdeling juist minder gunstig zijn dan het eerdere plan.

De verandering zit bovendien in het verschil tussen twee begrotingsvoorstellen. Een verbetering ten opzichte van Prinsjesdag betekent niet automatisch dat er volgend jaar meer te besteden is dan dit jaar. Juist dat onderscheid raakt gemakkelijk uit beeld wanneer het kabinet vertelt dat werken meer moet lonen.

Een hogere grens is geen lager tarief over het hele salaris

In de kabinetsbrief van 29 september schuift de grens van de hoogste belastingschijf van 78.426 naar 80.578 euro. Het tarief van 49,5 procent verandert daarmee niet. Wel wordt een groter gedeelte van het inkomen tegen het lagere tarief belast. Voor mensen met voldoende belastbaar inkomen gaat het om een strook van 2.152 euro.

De memorie van toelichting bij het Belastingplan 2027 noemt voor de tweede schijf 38,16 procent. Het verschil met het toptarief is dus 11,34 procentpunt. Vermenigvuldig dat met 2.152 euro en het maximale voordeel van uitsluitend deze verschuiving komt uit op ongeveer 244 euro per jaar, of ruim 20 euro per maand.

Dat bedrag hoort niet bij ieder inkomen boven modaal. Bij een belastbaar inkomen van 79.000 euro schuift slechts 574 euro naar de lagere schijf. Het voordeel van de schijfgrens bedraagt dan ongeveer 65 euro. Onder 78.426 euro levert deze specifieke verandering rechtstreeks niets op. Wie 150.000 euro verdient, krijgt via deze verschuiving evenmin meer dan die circa 244 euro.

Ook telt het belastbare inkomen, niet zonder meer het bruto jaarsalaris in een arbeidscontract. Pensioenpremies en aftrekposten kunnen ervoor zorgen dat die bedragen verschillen. De rekensom hieronder laat daarom alleen de werking van de schijfgrens zien. De kortingen op de uiteindelijke belastingrekening volgen daarna.

De minder zichtbare winst zit in een heffingskorting

Bij het hogere aangrijpingspunt van het toptarief hoort een tweede verandering. De algemene heffingskorting wordt langzamer afgebouwd. Dat is een korting op de belastingrekening die afneemt wanneer het inkomen stijgt. Een hoger eindpunt betekent dat de korting over een langer inkomenstraject verdwijnt.

Daarmee bereikt de maatregel ook mensen die de hoogste schijf helemaal niet halen. Dat is een belangrijk verschil met de gedachte dat alleen salarissen boven 80.000 euro profiteren. De precieze uitkomst hangt samen met het verzamelinkomen. Volgens de Belastingdienst en Rijksoverheid telt sinds 2025 ook het belastbare inkomen uit box 2 en box 3 mee bij de algemene heffingskorting.

Een vereenvoudigde berekening maakt het mechanisme zichtbaar. Neem de voorlopige parameters uit het Belastingplan: maximaal 3.154 euro korting, met afbouw vanaf 30.910 euro. Bij 60.000 euro verzamelinkomen resteert, met een rechte afbouwlijn tot 78.426 euro, ongeveer 1.223 euro korting. Schuift het eindpunt naar 80.578 euro, dan wordt dat ongeveer 1.307 euro. Het verschil is ongeveer 84 euro.

Dat is een benadering van één onderdeel, geen complete aanslagberekening. De uiteindelijke afbouwpercentages en afrondingen moeten in de wetstekst worden verwerkt. Het genoemde startpunt is bovendien afhankelijk van de vaststelling van het minimumloon. De uitkomst laat wel zien waarom een verandering boven in de tarieftabel ook een middeninkomen kan raken.

Veertig euro minder extra arbeidskorting maakt verschil

Tegenover de extra ruimte staat een kleinere verhoging van de arbeidskorting: 133 euro in plaats van 173 euro. Dat is 40 euro minder verhoging dan eerder voorgesteld. Het betekent niet dat iedere werknemer volgend jaar 40 euro minder korting krijgt dan dit jaar. De vergelijking gaat over twee plannen voor hetzelfde belastingjaar.

Waar het verschil volledig doorwerkt, moet die 40 euro van het voordeel worden afgetrokken. In het voorbeeld met 60.000 euro inkomen resteert van ongeveer 84 euro extra algemene heffingskorting dan circa 44 euro. Dat is minder dan vier euro per maand. Voor een werknemer met voldoende inkomen voor het maximale schijfvoordeel, maar nog recht op arbeidskorting, kan circa 244 euro daardoor ongeveer 204 euro worden.

Een hoger salaris biedt geen eindeloos oplopend voordeel. De arbeidskorting wordt bij hogere arbeidsinkomens zelf afgebouwd en verdwijnt uiteindelijk. De algemene heffingskorting is boven haar eindpunt ook weg. Daarom hoort bij iedere concrete loonstrook een berekening van het geheel. Een vlak bedrag voor alle werkenden zou de verschillen verhullen.

De politieke keuze is duidelijker dan de naam van de maatregel. Het kabinet verschuift steun van een extra arbeidskorting naar een hogere tariefgrens en een ruimere algemene heffingskorting. In de brief noemt het daarbij expliciet de wens van SGP en ChristenUnie om niet steeds verder op de arbeidskorting te leunen. Een belastingkorting die uitsluitend bij arbeidsinkomen hoort, bereikt immers een andere groep dan een algemene korting.

De eigen koopkrachttabel vertelt een bescheidener verhaal

Minister Eelco Heinen zei op Prinsjesdag dat het kabinet onder meer wilde helpen om “werkende middeninkomens meer ruimte te geven”. De nieuwe invulling brengt dat doel iets dichterbij. Maar de koopkrachttabel in de brief laat voor werkenden nog steeds een min zien: de mediaan verbetert van min 0,2 naar min 0,1 procent.

De laagste inkomensgroep beweegt juist van plus 0,2 naar plus 0,1 procent. Voor alle huishoudens samen blijft de mediaan min 0,1 procent. Het extra pakket kost in 2027 volgens de brief 436 miljoen euro ten opzichte van de eerdere technische invulling. Meer geld voor koopkracht betekent dus niet dat iedere groep meer overhoudt.

Een mediaan is de middelste uitkomst, geen belofte aan ieder huishouden. Het Centraal Planbureau houdt bij zulke statische berekeningen persoonlijke omstandigheden gelijk. Een baan verliezen, promotie maken of gaan samenwonen kan de eigen uitkomst veel sterker veranderen. Ook betekent een onveranderde, afgeronde groepsmediaan niet dat binnen die groep niets gebeurt.

Een paar honderd euro kan snel weer opgaan

Voor een huishouden is de relevante vraag hoeveel van het voordeel na alle andere veranderingen overblijft. Een werknemer kan tegelijk een spaarder zijn. Extra belasting in box 3 kan een lager bedrag in box 1 gedeeltelijk of helemaal tenietdoen. De politiek verdeelt mensen graag over categorieën; op de bankrekening komen die categorieën weer samen.

Een voordeel van 204 euro per jaar staat bij jaarlijkse uitgaven van 40.000 euro gelijk aan ongeveer 0,51 procent extra prijsstijging die kan worden opgevangen. Een vaste last die met 17 euro per maand stijgt, gebruikt hetzelfde bedrag. Daarmee is de verlichting niet waardeloos. Het maakt vooral duidelijk hoe beperkt de ruimte is om tegenvallers op te vangen.

De volgende rekentool draait de vraag om: hoeveel extra prijsstijging kan een aangenomen belastingvoordeel betalen? Het bedrag is zelf aanpasbaar. Het is geen voorspelling van de eigen loonstrook, maar een manier om een Haagse maatregel in verhouding tot de huishoudelijke uitgaven te zien.

Over drie jaar tellen lonen en prijzen veel zwaarder

Voor de langere termijn is de verhouding tussen inkomensgroei en inflatie doorslaggevend. Als het netto inkomen nauwelijks groeit terwijl prijzen blijven stijgen, kan een eenmalige fiscale verbetering dat niet blijven goedmaken. Groeit het inkomen sneller dan de kosten van levensonderhoud, dan verbetert de situatie ook zonder jaarlijks een nieuw koopkrachtpakket.

In de scenario’s hieronder beginnen we met 40.000 euro besteedbaar jaarinkomen en veronderstellen we dat een voordeel van ongeveer 204 euro jaarlijks behouden blijft. In het ongunstige pad groeit het inkomen niet en stijgen prijzen 3 procent per jaar. In het middenscenario stijgen beide 2,5 procent. In het gunstige pad groeit het netto inkomen 4 procent en de prijzen 2 procent. De uitkomsten voor 2027, 2028 en 2029 staan in euro’s met de koopkracht van 2026.

Dat zijn eigen rekenaannames, geen kabinetsramingen. Het belastingvoordeel houden we bewust gelijk om de invloed van loon en prijzen zichtbaar te maken. Toekomstige belastingbesluiten en veranderingen in de gezinssituatie zitten er niet in.

De hogere schijfgrens verlicht de belastingdruk voor een deel van de werkenden. De langzamere afbouw van de algemene heffingskorting maakt de groep breder. Maar een kleinere arbeidskorting, hogere prijzen en veranderingen in de belasting op vermogen kunnen daar weer tegenover staan. De uitkomst verdient daarom een concretere omschrijving dan dat werkenden erop vooruitgaan: het kabinet beperkt voor hen in doorsnee de eerder voorziene achteruitgang.

De voorstellen moeten nog door het parlement. Zodra de regels definitief zijn, leggen we bij De Belegger uitgebreid uit wat ze betekenen voor verschillende inkomens en huishoudens, met praktische tips en de keuzes waarop je kunt letten. Daarbij nemen we de volledige rekening mee, zodat een voordeel op de loonstrook niet los komt te staan van wat er elders verandert.

Foto: [Eelco Heinen](https://www.rijksoverheid.nl/regering/bewindspersonen/eelco-heinen/foto), Martijn Beekman / Rijksoverheid. Officieel portret, beschikbaar voor redactioneel gebruik door nieuwsmedia.

Word lid van De Belegger

Alle prijzen zijn inclusief btw. Eén keer kiezen, meteen alles open.

Met de code GRAAG krijg je 33 procent korting op 5 Jaar, Half Jaar en Ere lid, tot en met 1 oktober 2026, 23:59.

Ere lid

€ 1.500 € 1.005 eenmalig

  • Onbeperkte toegang tot columns, nieuws, verdieping en analyse over de allerbeste aandelen
  • Echte verdieping in de cijfers en het management
  • De Belegger portefeuille, gedeeld met tekst en uitleg bij elke transactie
  • Trainingen die van jou de allerbeste belegger maken, altijd in controle
  • Alles op de site en in de app

gewoon altijd toegang tot alles

Uitgelicht

5 Jaar

€ 799 € 535,33 eenmalig

  • Onbeperkte toegang tot columns, nieuws, verdieping en analyse over de allerbeste aandelen
  • Echte verdieping in de cijfers en het management
  • De Belegger portefeuille, gedeeld met tekst en uitleg bij elke transactie
  • Trainingen die van jou de allerbeste belegger maken, altijd in controle
  • Alles op de site en in de app

verloopt automatisch na 5 jaar, geen abonnement

Bekijk de lidmaatschappen

We willen alleen tevreden klanten: niet tevreden binnen 14 dagen, dan je geld terug. Ook per half jaar mogelijk: € 199 elke 6 maanden.

Bronnen

Lees ook

Deel dit artikel

WhatsAppXLinkedIn

Open in de app