De Belegger

Van de redactie

Een volle frietmarkt maakt McCains miljardenfabriek onrendabel

McCain stopt een Duitse fabriek van maximaal 1 miljard euro. De doorslag zit niet alleen in bouwkosten, maar in bezetting, boerenprijzen en de kasstroom die jarenlang nodig is.

In het kort

McCain zet de bouw van een frietfabriek in het Duitse Mehrum voorlopig stop, hoewel er maximaal 1 miljard euro aan investeringen en 650 banen in het vooruitzicht lagen. Het bedrijf wijst op hogere bouwkosten, overcapaciteit bij verwerkte aardappelproducten en zwakkere vraag in belangrijke markten. Dat is meer dan een lokaal bouwbesluit: het laat zien dat een fabriek met hoge vaste kosten alleen rendeert wanneer er jarenlang genoeg product doorheen gaat. Voor telers, werknemers en overheden is de pijn directer dan voor de koper van een zak friet.

De beslissing volgde op een nieuwe beoordeling van de concurrentiekracht en economische haalbaarheid van het project. Volgens de verklaring van McCain, zoals weergegeven door de regionale omroep NDR, wordt de investering in de huidige vorm nu niet voortgezet. Het terrein aan het Mittellandkanaal blijft wel in bezit van McCain en een aangepast plan is dus niet uitgesloten.

De rekensom achter dat besluit is vrij hard. Een nieuwe fabriek voegt capaciteit toe voordat er één extra portie friet is verkocht. Als de markt niet snel genoeg groeit, verdeelt de producent afschrijving, rente, onderhoud en vaste personeelskosten over minder kilo's. Een bestaande fabriek kan dan goedkoper blijven draaien dan een nieuw complex, zelfs als dat nieuwe complex technisch zuiniger is.

Waarom een volle markt een nieuwe fabriek snel duur maakt

McCain is geen kleine uitdager die nog schaal moet opbouwen. Het bedrijf noemt zichzelf de wereldmarktleider in diepgevroren aardappelproducten en zegt dat wereldwijd ongeveer één op de vier porties friet uit zijn fabrieken komt. Juist zo'n marktleider kan een investeringsbesluit niet los zien van zijn bestaande fabrieken. Elke nieuwe productielijn moet niet alleen winstgevend zijn, maar ook voorkomen dat zij volume wegtrekt uit fabrieken die er al staan.

Neem een vereenvoudigd rekenvoorbeeld. Stel dat een fabriek 1 miljard euro kost, de investering in twintig jaar wordt terugverdiend en het bedrijf jaarlijks 8 procent rendement op het nog uitstaande kapitaal verlangt. Dan is ongeveer 101,9 miljoen euro vrije kasstroom per jaar nodig. Dat is nog vóór een afzonderlijke opslag voor onverwachte bouwkosten of een trage opstart. Bij een bijdrage van 12 eurocent per verkochte kilo moet de fabriek ongeveer 849 miljoen kilo per jaar afzetten om alleen die jaarlijkse kapitaaleis te dekken. De werkelijke capaciteit en marge van Mehrum zijn niet openbaar; dit voorbeeld toont dus de drempel, niet McCains interne begroting.

Een bezettingsgraad van 85 procent kan er op papier gezond uitzien. Zakt die naar 65 procent, dan worden dezelfde vaste kosten over bijna een kwart minder productie verdeeld. Een concurrent met afgeschreven machines kan dan tijdelijk tegen een prijs leveren die voor de nieuwe fabriek onaantrekkelijk is. Dat verklaart waarom overcapaciteit een aangekondigde investering eerder raakt dan een bestaande productielijn.

Inflatie maakt die gevoeligheid groter. Hogere prijzen voor staal, installaties, bouwarbeid, energieaansluitingen en financiering verhogen het bedrag dat eerst moet worden terugverdiend. De markt hoeft daarvoor niet in te storten. Een paar procent minder verwachte vraag en een paar procent hogere kosten kunnen samen voldoende zijn om de netto contante waarde, de waarde van alle toekomstige kasstromen na aftrek van de investering, onder nul te duwen.

De aardappelteler voelt het overschot eerder dan de consument

De keten begint niet bij de fabriek, maar op het land. Fritesaardappelen zijn geen voorraad die onbeperkt kan wachten op een betere prijs. Bewaring kost energie en kwaliteit gaat achteruit. Een deel van de oogst ligt vast in contracten, maar het vrije volume moet tegen de prijs van dat moment een bestemming vinden. Wanneer verwerkers genoeg voorraad hebben, verschuift de onderhandelingsmacht snel naar de fabriek.

Wageningen Economic Research onderzocht de markt voor aardappelen voor verwerking en concludeerde in 2024 dat gezamenlijke productiebeperking door telers weinig kansrijk is. Minder aanbod kan de prijs verhogen, maar lokt ook vervanging uit andere landen en andere aardappelstromen uit. In het gebruikte model verslechtert daardoor per saldo de omzet van de deelnemende telers. Dat is een belangrijk tegenwicht tegen het eenvoudige advies om bij lage prijzen gewoon minder te planten.

Een navolgbaar rekenvoorbeeld maakt de blootstelling concreet. Een bedrijf met 100 hectare fritesaardappelen, een opbrengst van 45 ton per hectare en een prijsdaling van 30 euro per ton mist bruto 100 maal 45 maal 30 euro, dus 135.000 euro omzet in een jaar. Als we vereenvoudigd aannemen dat 30 procent van die daling wordt opgevangen door vermeden variabele oogst-, bewaar- en transportkosten, blijft netto 94.500 euro minder bijdrage aan rente, pacht, machines en inkomen over. Dat is 7.875 euro per maand. Belastingen, contractdekking en bedrijfsspecifieke kosten zijn niet meegenomen, dus dit is een gevoeligheidsberekening en geen gemiddeld boereninkomen.

De consument ziet zo'n prijsval niet één op één terug. De aardappel is maar een deel van de winkel- of horecaprijs. Olie, invriezen, verpakking, energie, transport, huur, personeel, btw en marge blijven staan. Verwerkers en afnemers kunnen bovendien lopende contracten hebben. Een overschot aan grondstof kan daarom tegelijk slecht nieuws zijn voor de teler en slechts een klein voordeel voor de frietkoper.

Zestig miljoen steun verandert de hoofdrekensom nauwelijks

De regionale teleurstelling is begrijpelijk. In Mehrum stonden maximaal 650 banen op het spel en overheden hadden zich ingespannen voor ongeveer 50 miljoen euro aan federale steun en circa 10 miljoen euro aan mogelijke steun van de deelstaat. Op een investering van maximaal 1 miljard euro is 60 miljoen echter 6 procent. Dat is groot publiek geld, maar te klein om jarenlange onderbezetting te compenseren.

De omgekeerde vraag is daarom nuttiger dan de vraag waarom de subsidie niet genoeg was. Hoeveel jaarlijkse operationele kasstroom moet een fabriek verdienen om 1 miljard euro te rechtvaardigen? Bij twintig jaar en 8 procent is dat 101,9 miljoen euro per jaar. Trek een subsidie van 60 miljoen van de investering af, dan daalt die eis naar ongeveer 95,8 miljoen euro. Het verschil is 6,1 miljoen per jaar. De steun helpt, maar verandert geen zwakke afzetmarkt in een sterke.

Een andere vergelijking is eveneens verhelderend. Zestig miljoen euro gedeeld door 650 geplande banen is ongeveer 92.300 euro per baan. Dat is geen feitelijke uitgave per gerealiseerde baan, want de banen zijn niet ontstaan en niet alle steun hoeft te zijn verstrekt. Het cijfer laat wel zien welke orde van grootte beleidsmakers wilden mobiliseren voor een groot industrieproject.

Het ministerie van Economische Zaken van Nedersaksen legt bij zijn regionale investeringssteun de nadruk op extra investeringen en arbeidsplaatsen. Dat beleid kan werken wanneer publieke steun een financieringsgat overbrugt. Het werkt niet wanneer het commerciële probleem te weinig structurele vraag is. In dat geval betaalt de overheid mee aan capaciteit die de prijsdruk voor bestaande producenten juist kan vergroten.

Een slechte oogst bewijst niet dat de fabriek toch nodig is

De sterkste tegenwerping is dat de aardappelmarkt grillig is. Na een overschot kan droogte de oogst een jaar later hard raken. Schaarste aan geschikte aardappelen kan prijzen en marges herstellen, waardoor het schrappen van capaciteit achteraf te voorzichtig lijkt. Dat risico is reëel, maar het haalt twee markten door elkaar.

McCain noemt overcapaciteit bij verwerkte aardappelproducten en zwakke vraag in belangrijke afzetmarkten. Dat gaat over fabrieken, voorraad, contracten en de verkoop van diepvriesproducten. Een kleinere aardappeloogst kan de grondstof duurder maken zonder dat huishoudens en restaurants meer friet kopen. Voor een nieuwe fabriek is dat zelfs een lastige combinatie: hogere inkoopkosten naast onvoldoende benutting.

Daar komt bij dat een investeringsbesluit vooruitkijkt over tientallen jaren. Eén krap oogstseizoen rechtvaardigt geen fabriek van maximaal 1 miljard euro. Het relevante bewijs zou een aanhoudende stijging zijn van verkochte volumes, gezonde marges en een structureel hoge bezetting bij bestaande Europese fabrieken. Zonder die combinatie blijft wachten rationeel.

Drie routes voor 2027 tot en met 2029

Voor de komende drie kalenderjaren is geen betrouwbare openbare prognose beschikbaar die vraag en Europese verwerkingscapaciteit precies naast elkaar zet. Daarom nemen we voor de vergelijking eind 2026 een capaciteitsindex van 105 en een vraagindex van 100. De capaciteit blijft in alle drie routes gelijk; alleen de vraag verandert. Dat zijn expliciete aannames, geen voorspellingen of kansen.

In het basisscenario blijft de vraag gelijk. Het verschil blijft dan in 2027, 2028 en 2029 vijf indexpunten, zodat een nieuwe fabriek moeilijk te verdedigen blijft. In het zwakke scenario daalt de vraag jaarlijks 2 procent. De vraagindex komt dan in 2029 uit op 94,1 en de ruimte tussen capaciteit en vraag groeit naar 10,9 punten. In het herstelscenario groeit de vraag jaarlijks 2 procent. Dan stijgt de vraagindex naar 106,1 en verdwijnt het aanvankelijke overschot tegen 2029 in dit eenvoudige model.

Het omslagpunt is dus geen spectaculaire prijsstijging in één seizoen, maar ongeveer drie jaar vraaggroei van 2 procent zonder nieuwe capaciteit. Zelfs dat is niet genoeg als marges dalen, bouwkosten verder oplopen of bestaande fabrieken hun productiviteit verhogen. Omgekeerd kan een kleiner of gefaseerd project eerder rendabel worden, omdat het minder volume nodig heeft om vol te raken.

Lees ook: Waarom Stellantis fabrieken stilzet terwijl klanten willen kopen

De verstandigste keuze kan een niet gebouwde fabriek zijn

Voor Mehrum is het mislopen van banen en investeringen concreet. Voor McCain is stoppen vóór de bouw echter waarschijnlijk goedkoper dan jarenlang proberen een nieuwe fabriek te vullen in een volle markt. De belangrijkste winnaars zijn de bestaande productielocaties met lage kosten en hoge bezetting. De rekening ligt voorlopig bij de regio, potentiële werknemers en telers die op extra afname hadden gehoopt. De belastingbetaler loopt minder risico zolang toegezegde steun niet wordt uitgekeerd zonder gerealiseerde investering.

Mijn oordeel is daarom dat McCains besluit bedrijfseconomisch verdedigbaar is, ondanks de politieke teleurstelling. Een subsidie van ongeveer 6 procent van de maximale investering kan het rendement verbeteren, maar lost geen structurele mismatch tussen capaciteit en vraag op. Dit oordeel zou veranderen als McCain of onafhankelijke marktdata laten zien dat de Europese afzet van verwerkte aardappelproducten meerdere jaren duidelijk groeit, bestaande fabrieken vrijwel vol draaien en de verwachte kasstroom ruim boven circa 102 miljoen euro per jaar uitkomt bij een investering van 1 miljard euro. Tot die tijd is uitstel geen bewijs van zwakte, maar van kapitaaldiscipline.

Word lid van De Belegger

Alle prijzen zijn inclusief btw. Eén keer kiezen, meteen alles open.

Met de code GRAAG krijg je 33 procent korting op 5 Jaar, Half Jaar en Ere lid, tot en met 1 oktober 2026, 23:59.

Ere lid

€ 1.500 € 1.005 eenmalig

  • Onbeperkte toegang tot columns, nieuws, verdieping en analyse over de allerbeste aandelen
  • Echte verdieping in de cijfers en het management
  • De Belegger portefeuille, gedeeld met tekst en uitleg bij elke transactie
  • Trainingen die van jou de allerbeste belegger maken, altijd in controle
  • Alles op de site en in de app

gewoon altijd toegang tot alles

Uitgelicht

5 Jaar

€ 799 € 535,33 eenmalig

  • Onbeperkte toegang tot columns, nieuws, verdieping en analyse over de allerbeste aandelen
  • Echte verdieping in de cijfers en het management
  • De Belegger portefeuille, gedeeld met tekst en uitleg bij elke transactie
  • Trainingen die van jou de allerbeste belegger maken, altijd in controle
  • Alles op de site en in de app

verloopt automatisch na 5 jaar, geen abonnement

Bekijk de lidmaatschappen

We willen alleen tevreden klanten: niet tevreden binnen 14 dagen, dan je geld terug. Ook per half jaar mogelijk: € 199 elke 6 maanden.

Bronnen

Lees ook

Deel dit artikel

WhatsAppXLinkedIn

Open in de app