De Belegger

Van de redactie

De Amerikaanse economie groeit maar dure energie knaagt aan de koopkracht

De Amerikaanse economie groeit, terwijl energie de inflatie opstuwt. Dat zet koopkracht onder druk, maar bewijst nog geen stagflatie. Rekenvoorbeelden tonen waarom meer inkomen niet altijd meer bestedingsruimte geeft.

In het kort

De Amerikaanse economie groeide in het tweede kwartaal, terwijl de inflatie in augustus duidelijk boven de stijging van prijzen zonder voeding en energie lag. Dat is nog geen bewijs van brede stagflatie, de combinatie van hardnekkige inflatie en economische stagnatie. Het maakt wel zichtbaar hoe een energieschok koopkracht en winstmarges kan aantasten voordat de totale productie stilvalt. Doorslaggevend is of duurdere energie tijdelijk blijft of doorwerkt in bredere prijzen, lonen en bestedingen.

De tweede bbp-raming van het BEA, gepubliceerd op 26 augustus, laat voor april tot en met juni 2026 een reële groei van 1,5 procent op jaarbasis zien. Dat is een geannualiseerd kwartaaltempo, ongeveer 0,4 procent ten opzichte van het vorige kwartaal. Het betekent niet dat de economie in drie maanden 1,5 procent groter werd. De cijfers kunnen bij de volgende raming op 30 september worden herzien.

Daartegenover staat de consumentenprijsmeting van het BLS van 11 september. In augustus lag het algemene Amerikaanse prijspeil 3,4 procent boven een jaar eerder. Zonder voeding en energie was de stijging 2,4 procent. Energie was op jaarbasis 16,3 procent duurder. Deze jaarlijkse percentages zijn niet seizoengecorrigeerd; de gemelde maandstijging van de totale index van 0,4 procent is dat wel.

Die combinatie is belangrijker dan het plakken van een dramatisch etiket. Een economie kan nog groeien terwijl bepaalde huishoudens minder overhouden en bedrijven tegen krimpende marges aankijken. De Amerikaanse cijfers kunnen niet rechtstreeks op een Nederlands of Belgisch huishouden worden toegepast. De economische werking van een grotere energierekening is wel herkenbaar: hetzelfde inkomen moet meer kosten dragen voordat ruimte voor andere bestedingen overblijft.

Een aanbodschok maakt prijzen en groei tegelijk lastiger

Bij sterke vraag kunnen bedrijven meer verkopen en prijzen verhogen. Bij een negatieve aanbodschok wordt produceren juist duurder of moeilijker. Energie is daarvan een duidelijk voorbeeld. Een bedrijf moet voor dezelfde productie meer aan brandstof, elektriciteit of vervoer betalen. Het kan de prijs verhogen, minder winst accepteren, efficiënter werken of de productie beperken. Meestal ontstaat een combinatie.

Voor een energie-importerende economie gaat een deel van de extra besteding bovendien naar buitenlandse producenten. Binnenlandse afnemers hebben minder ruimte voor andere producten. Een hogere omzet in euro's of dollars kan daardoor samengaan met minder verkochte aantallen. Nominale groei, waarin prijsstijgingen meetellen, is dan geen betrouwbare aanwijzing voor meer materiële welvaart.

Een eenvoudig bedrijfsvoorbeeld maakt het verschil zichtbaar. Neem honderd euro omzet, tachtig euro totale kosten en twintig euro winst vóór rente en belasting. Van die kosten is tien euro energie. Bij twintig procent duurdere energie stijgen de kosten met twee euro. Zonder prijsverhoging daalt de winst van twintig naar achttien euro, dus tien procent. Bij doorberekening van de helft komt één euro extra omzet binnen en wordt de winst negentien euro. We veronderstellen daarbij gelijkblijvende volumes.

Volledige doorberekening kan de winst in euro's herstellen, maar ook klanten wegjagen. Dat vraagverlies zit niet automatisch in de berekening. Een aanbieder van noodzakelijke producten met weinig alternatieven heeft doorgaans meer ruimte dan een leverancier van uitstelbare aankopen. Het prijsvermogen van een onderneming is daarom minstens zo belangrijk als haar directe energieverbruik.

Dezelfde inflatie betekent niet dezelfde persoonlijke rekening

Een officiële prijsindex meet een gewogen pakket, geen identieke rekening voor iedereen. Een huishouden dat veel autorijdt of een slecht geïsoleerde woning verwarmt, heeft een andere blootstelling dan een huishouden met weinig direct energieverbruik. Langlopende contracten kunnen de doorwerking uitstellen. Veranderingen in belastingen en toeslagen kunnen het netto-effect daarnaast versterken of compenseren.

Neem een fictief huishouden met €3.000 netto maandinkomen en €2.700 maandelijkse uitgaven. Het houdt €300 over. Bij drie procent inkomensgroei stijgt het netto inkomen naar €3.090. Als de uitgavenmand 3,4 procent duurder wordt en de gekochte hoeveelheden gelijk blijven, stijgen de uitgaven naar €2.791,80. Er resteert €298,20. De inkomensstijging oogt stevig, maar de vrije ruimte wordt iets kleiner.

Die 3,4 procent gebruiken we hier als invoer voor een rekenvoorbeeld. Het is geen Nederlandse inflatieraming. De uitkomst laat zien waarom inkomensgroei en vrije bestedingsruimte niet hetzelfde zijn. Een huishouden dat aanvankelijk vrijwel alles uitgeeft, heeft weinig buffer om een kleine tegenvaller op te vangen. Wie een groot deel spaart, kan de extra kosten gemakkelijker absorberen zonder direct elders te bezuinigen.

Voor een spaarder speelt nog een tweede mechanisme. Vier procent nominale rente bij 3,4 procent inflatie geeft vóór belasting ongeveer 0,58 procent reëel rendement: 1,04 gedeeld door 1,034, minus één. Geld groeit dan in koopkracht, maar veel minder dan het rentecijfer suggereert. Bij hogere inflatie kan een gelijkblijvende rente onvoldoende zijn om de koopkracht te bewaren.

Schuldenaren profiteren soms van inflatie doordat een vast nominaal schuldbedrag relatief kleiner wordt. Dat voordeel vereist wel voldoende inkomensgroei en verdwijnt gedeeltelijk wanneer herfinanciering duurder wordt. Een hogere algemene prijsindex betaalt geen maandtermijn. De kasstroom van het individuele huishouden blijft bepalend.

De loonstijging die nodig is hangt af van het doel

De omgekeerde vraag luidt hoeveel het inkomen moet stijgen om niet achteruit te gaan. Het antwoord verandert met de definitie. Om de koopkracht van het gehele inkomen gelijk te houden bij 3,4 procent inflatie, moet het netto inkomen eveneens 3,4 procent groeien. Om alleen dezelfde nominale vrije ruimte van €300 te behouden, is minder nodig, omdat niet het gehele inkomen wordt uitgegeven.

In het voorbeeld stijgen de uitgaven met €91,80. Het netto inkomen moet dus eveneens €91,80 omhoog naar €3.091,80 om €300 over te houden. Dat is 3,06 procent van het oorspronkelijke inkomen van €3.000. De formule is uitgaven maal prijsstijging, gedeeld door inkomen. Het resultaat betreft netto bedragen. Welke brutoloonstijging nodig is, hangt af van belasting, premies en eventuele inkomensafhankelijke regelingen en wordt hier niet geschat.

Voor een werknemer met minder onderhandelingsmacht kan zelfs die beperkte netto-eis moeilijk haalbaar zijn. Voor een werkgever is een algemene loonstijging alleen duurzaam te dragen wanneer productiviteit, verkoopprijzen of marges voldoende ruimte bieden. Een energieschok legt daardoor druk op de verdeling van een inkomen dat reëel niet vanzelf groter wordt. Iedereen volledig compenseren kan niet zonder iemand anders te laten betalen of extra productie te creëren.

De centrale bank kan dat verdelingsprobleem niet oplossen door meer energie te produceren. Zij beïnvloedt vooral vraag, kredietvoorwaarden en verwachtingen. Te snelle verruiming kan brede prijsdruk versterken. Te sterke verkrapping kan de vraag onnodig raken wanneer de energieprijs vanzelf normaliseert. De Fed onder voorzitter Kevin Warsh moet dus de duur en verbreding van de schok beoordelen, niet alleen de richting van één olieprijs.

Drie koopkrachtpaden voor de komende jaren

Met peildatum 25 september 2026 gebruiken we hetzelfde netto maandinkomen van €3.000 als startpunt en rekenen we naar 2027, 2028 en 2029. De module toont wat dat inkomen waard is in de koopkracht van het startjaar. Ieder jaar wordt het nominale inkomen met de aangenomen groei vermenigvuldigd en gedeeld door het cumulatieve prijsniveau. Belastingen en veranderingen in arbeidsuren zitten alleen impliciet in de gekozen netto-inkomensgroei.

In het basisscenario van geleidelijke normalisering groeit het netto inkomen jaarlijks drie procent, terwijl de inflatie achtereenvolgens drie, 2,5 en twee procent bedraagt. De reële maandwaarde wordt ongeveer €3.000, €3.015 en €3.044. Dat is bescheiden vooruitgang na een jaar waarin de prijsstijging de volledige inkomensgroei opslokt.

Bij aanhoudende energiedruk kiezen we inflatie van vijf, vier en drie procent en netto-inkomensgroei van twee procent per jaar. De reële maandwaarde zakt naar ongeveer €2.914, €2.858 en €2.830. In een pad met productiviteitsherstel groeit het netto inkomen vier procent per jaar bij telkens twee procent inflatie. Dan worden de bedragen ongeveer €3.059, €3.119 en €3.180.

Deze cijfers zijn geen institutionele ramingen. De scenario's combineren aannames die economisch bij elkaar passen: een langdurige kostenschok drukt het reële inkomen, terwijl hogere productiviteit ruimte kan geven voor meer inkomensgroei zonder evenredige prijsdruk. Het model kan niet aantonen welk pad het waarschijnlijkst is en voorspelt geen Amerikaans, Nederlands of Belgisch loonakkoord.

De tegenwerping zit in de nog stevige binnenlandse vraag

De sterkste reden om nog niet van algemene stagflatie te spreken is dat de economie meer laat zien dan een zwak groeicijfer. Het BEA rapporteerde voor het tweede kwartaal 4,2 procent geannualiseerde groei van de reële particuliere binnenlandse eindbestedingen. Die maatstaf omvat consumptie en particuliere vaste investeringen en laat zien dat belangrijke onderdelen van de vraag doorgroeiden. Bovendien lag de jaarlijkse kerninflatie in augustus iets lager dan in juli.

Dat verzwakt de stelling dat een langdurige stagnatie al vaststaat. Het sluit risico evenmin uit. Een energieschok kan eerst winstmarges en koopkracht raken en pas later productie en werkgelegenheid. Omgekeerd kan sneller herstel van de energieaanvoer de spanning wegnemen voordat een brede terugval ontstaat. De volgorde en duur van de doorwerking zijn dus beslissend.

Lees ook: Trump voert de druk op Iran op en Hormuz blijft cruciaal voor olie en aandelen.

Het oordeel is dat de huidige gegevens een kwetsbaarheid tonen, geen voldongen stagflatie. Voor huishoudens telt de groei van het netto inkomen tegenover hun eigen kostenmand. Voor bedrijven telt hoeveel van de schok zij kunnen doorgeven zonder klanten te verliezen. Het oordeel wordt somberder bij breed oplopende onderliggende prijzen in combinatie met afzwakkende reële bestedingen; het wordt gunstiger wanneer energie normaliseert en de reële vraag overeind blijft. De bbp-herziening van 30 september is daarbij een concreet volgend meetpunt, geen vooraf bekende bevestiging.

Foto: officieel portret van Kevin Warsh (2026), Board of Governors of the Federal Reserve System, publiek domein, via Wikimedia Commons.

Bronnen

Lees ook

Deel dit artikel

WhatsAppXLinkedIn

Open in de app