De Belegger

Van de redactie

Bijna niemand kijkt naar de landenweging van de Vanguard FTSE All-World ETF terwijl de Verenigde Staten het tempo van het hele fonds bepalen

VWRL bezit duizenden aandelen, maar bijna twee derde van het fonds zit in de Verenigde Staten. Dat maakt de wereld-ETF breder dan de S&P 500, niet onafhankelijk van Wall Street.

In het kort

VWRL is een van de eenvoudigste manieren om met één aankoop in duizenden grote en middelgrote bedrijven te beleggen. Toch is het fonds minder gelijkmatig over de wereld verdeeld dan de naam soms doet vermoeden. Volgens Vanguard zat op 25 september 61,68 procent van de portefeuille in Amerikaanse aandelen.

Japan woog ongeveer 6 procent, Taiwan 3,31 procent, het Verenigd Koninkrijk 3,25 procent en Canada 3,01 procent. China kwam op 2,72 procent en Zuid-Korea op 2,50 procent. De rest is verdeeld over tientallen markten. Dat is brede spreiding, maar de Verenigde Staten blijven de motor.

De besproken beurslijn is de uitkerende Vanguard FTSE All-World UCITS ETF met ISIN IE00B3RBWM25, genoteerd op Euronext Amsterdam in euro. Het fonds heeft de Amerikaanse dollar als basisvaluta en keert ieder kwartaal dividend uit. De eurokoers neemt het onderliggende valutarisico niet weg.

Wereldwijd betekent marktgewogen

De FTSE All-World-index geeft bedrijven een gewicht op basis van hun vrij verhandelbare beurswaarde. Een bedrijf dat op de beurs duurder wordt, krijgt vanzelf meer gewicht. Een land met veel grote beursbedrijven gaat daardoor zwaarder meetellen. De index vraagt niet of een land goedkoop is of economisch snel groeit.

Dat verklaart de Amerikaanse dominantie. De grootste technologiebedrijven zijn enorm en hun aandelen zijn breed verhandelbaar. Opkomende markten kunnen economisch sneller groeien, maar hebben vaak kleinere beursmarkten, meer staatsbelangen of minder vrij verhandelbare aandelen.

Bij de huidige weging zit 38,32 procent buiten de Verenigde Staten. Dat is veel meer dan in een S&P 500-ETF, maar veel minder dan een gelijke verdeling over landen zou opleveren. Wie VWRL koopt, kiest dus voor de wereld zoals de beurs die vandaag prijst.

De Verenigde Staten bepaalt het grootste deel van het jaar

Een simpele bijdrageberekening maakt de invloed zichtbaar. Als Amerikaanse aandelen acht procent stijgen en de rest van de wereld zes procent, levert de VS bij een gewicht van 61,68 procent bijna vijf procentpunt van het fondsrendement. De rest voegt ongeveer 2,3 procentpunt toe.

De module laat ook de andere kant zien. Als de Amerikaanse markt tien procent daalt terwijl de rest vlak blijft, verliest het fonds al ruim zes procent vóór valuta, dividend en kosten. De duizenden posities voorkomen dat één bedrijf alles bepaalt, maar ze voorkomen niet dat één land het grootste deel van de beweging veroorzaakt.

Concentratie is niet automatisch verkeerd. Amerikaanse ondernemingen verdienen wereldwijd geld en bezitten sterke merken, softwareplatforms en datacenters. Hun vestigingsland zegt niet waar de omzet vandaan komt. Toch blijven waardering, regelgeving, rente en de dollar grotendeels Amerikaanse factoren.

Waarom de rest van de wereld ertoe doet

Japan, Europa en opkomende markten voegen andere sectoren en waarderingen toe. Japan heeft industriële en consumentgerichte bedrijven. Europa brengt meer banken, farmacie, industrie en luxe. Taiwan en Zuid-Korea zijn belangrijk in halfgeleiders. China voegt internetplatforms, industrie en consumentenvraag toe, met extra politiek risico.

Die spreiding kan helpen wanneer de leiders van de vorige jaren achterblijven. Een wereldfonds hoeft niet te voorspellen welk land de volgende winnaar wordt. Wanneer een markt groter wordt, neemt haar indexgewicht vanzelf toe. Dat mechanisme is saai, maar juist daardoor betrouwbaar.

Het nadeel is dat het fonds ook duurder geworden markten volgt. Het koopt niet bewust laag en verkoopt niet bewust hoog. Een stijgende beurswaarde trekt meer kapitaal naar dezelfde winnaar. Daardoor kan waarderingsconcentratie ontstaan, zelfs als het aantal posities groot blijft.

Eurokoers en dollarinkomsten

VWRL noteert op Amsterdam in euro, maar de onderliggende waarden worden in veel valuta berekend. Vooral de dollar is belangrijk. Een zwakkere dollar kan een stijging van Amerikaanse aandelen voor een Nederlandse belegger deels wegstrepen. Een sterkere dollar kan het rendement juist verhogen.

In de module worden koersrendement, dividend, kosten en valuta apart zichtbaar. Dat voorkomt een veelgemaakte fout: de eurobeurslijn verwarren met valuta-afdekking. Deze shareclass is niet naar de euro gehedged. Voor de lange termijn kan valuta heen en weer bewegen, maar in één jaar is het effect aanzienlijk.

Het uitkerende karakter betekent dat dividend als cash op de rekening komt. Op de ex-dividenddatum daalt de fondskoers technisch met ongeveer de uitkering. Koersrendement alleen onderschat daarom het totale resultaat. Belastingen, brokerkosten en het moment van herbeleggen maken het nettoresultaat persoonlijk.

Kosten zijn klein, waardering is groot

De lopende kosten van ongeveer 0,14 procent per jaar zijn laag. Op €10.000 is dat ongeveer €14 in het eerste jaar, los van rendement. Het verschil tussen 0,14 en 0,20 procent is nuttig om te kennen, maar het weegt veel minder dan een verandering van enkele punten in de waardering van de onderliggende aandelen.

De echte rendementsvraag zit in winstgroei, dividend en de koers-winstverhouding van de portefeuille. Bij een hoge beginwaardering moet de winst sneller groeien of de belegger genoegen nemen met een lager rendement. Bij een dalende multiple kan winstgroei zelfs samengaan met een vlakke beurskoers.

In het basismodel gebruiken we 22,5 keer winst voor de portefeuille, 1,8 procent dividendrendement en een daling naar 20 keer winst in 2029. Voor acht procent totaalrendement is dan een stevige onderliggende winstgroei nodig. Verander de aannames en de vereiste groei beweegt direct mee.

Drie mogelijke paden

Het bear-pad start met een daling van acht procent, gevolgd door min vier en plus één procent. Dat kan ontstaan door lagere waarderingen, een zwakkere dollar of een winstrecessie. Dividend komt boven op de koersen, maar vangt een scherpe daling niet volledig op.

Het middenpad gebruikt zes, zeven en zeven procent koersgroei. Het gunstige pad veronderstelt dertien, twaalf en elf procent. Dat laatste vraagt sterke wereldwijde winstgroei en weinig druk op waarderingen.

De uitkomsten zijn geen voorspellingen. Ze laten zien hoeveel één slecht of goed eerste jaar doorwerkt in 2028 en 2029. Een brede ETF verlaagt bedrijfsspecifiek risico, maar maakt marktrendement niet voorspelbaar.

Het sterkste tegenargument

De criticus zegt dat 61,7 procent Verenigde Staten te veel is en dat de grote technologiebedrijven de index kwetsbaar maken. Dat is een terecht risico. Een handvol Amerikaanse megacaps heeft veel invloed op de waardering en op het rendement.

De verdediging is sterk: marktweging past zich automatisch aan. Als Amerikaanse bedrijven marktaandeel verliezen, hun winst tegenvalt of andere regio’s groter worden, verschuift de index. Een belegger hoeft niet zelf het omslagpunt te raden. Bovendien verdienen veel Amerikaanse bedrijven het grootste deel van hun omzet buiten de VS.

Voor de meeste langetermijnbeleggers is VWRL daarom nog steeds een bruikbare kernpositie. Alleen hoort daar de juiste verwachting bij. Dit is geen gelijk verdeelde wereldportefeuille en ook geen valutavrij spaarproduct. Het is een marktgewogen aandelenfonds waarin Wall Street voorlopig het ritme aangeeft.

Wat de fondsnaam niet vertelt

Een wereldindex bevat niet ieder beursgenoteerd bedrijf. Kleine ondernemingen vallen grotendeels buiten FTSE All-World en frontiermarkten zijn beperkt of afwezig. De index gebruikt bovendien regels voor vrije verhandelbaarheid en liquiditeit. Een groot staatsbedrijf kan daardoor veel minder gewicht krijgen dan zijn totale beurswaarde doet vermoeden.

De uitkerende shareclass vraagt praktische aandacht. Dividend komt in cash en wordt niet automatisch binnen het fonds herbelegd. Wie het laat staan, heeft tijdelijk een lagere aandelenblootstelling. Wie het herbelegt, kan transactiekosten betalen. De accumulerende variant VWCE werkt anders en is niet dezelfde beurslijn.

Ook trackingverschil verdient aandacht. Lopende kosten zijn bekend, maar bronbelasting, handelskosten en optimalisatie bepalen hoe nauwkeurig het fonds de index volgt. Een afwijking van enkele tienden per jaar lijkt klein en wordt over tientallen jaren merkbaar.

Tot slot is de peildatum belangrijk. De landenweging van 61,68 procent Verenigde Staten is een momentopname van 25 september 2026. Koersen en indexherwegingen veranderen haar vanzelf. De module is bedoeld om die gevoeligheid te begrijpen, niet om een vaste verdeling voor de komende tien jaar te voorspellen.

Voor een periodieke belegger werkt die beweging juist in het voordeel van eenvoud. Nieuwe inleg koopt automatisch de dan geldende wereldverdeling. Wie bewust minder Verenigde Staten wil, heeft een tweede fonds of een andere index nodig en neemt daarmee zelf een actieve landenkeuze over.

Lees ook: Waarom de grootste posities van een wereld-ETF meer aandacht verdienen

Lees ook

Deel dit artikel

WhatsAppXLinkedIn

Open in de app